Het voorbije joodse dordrecht
De schoonzus was beledigd, en zo verloor
Dordrecht zijn bananenjood, Wolf Frenkel
* Een boek als eresaluut aan drie Dordtse joden
De langzaam vervagende foto van drie medewerkers |
Wolf Frenkel, de bananenjood van Dordrecht, trof het niet met zijn schoonzus.
Deze zus van zijn vrouw was net als haar kersverse echtgenoot nogal intens de NSB toegedaan. Toen Wolf op een verjaardag, ergens in 1943, oneerbiedig omging met haar trouwfoto – waarop haar man trots in NSB-uniform stond –, gaf zij hem de volgende dag beledigd aan bij de politie. Daarmee bezegelde zij zijn lot: de tocht naar de dood was begonnen.
Van je familie moet je het hebben.
Eerder in de oorlog waren de andere leden van het fruithandelsgezin Frenkel al naar de ratsmodee geholpen, in Auschwitz: Wolf’s vader Abraham, dochter Fijtje en de zonen Hessel en Samuel. Moeder Mina was in 1941 een natuurlijke dood gestorven.
Dat de fijne actie van Wolf’s schoonzus hier desondanks kan worden naverteld, komt doordat de echtgenote van Wolf, Helena Frenkel-van den Adel, een christenvrouw was. Zij en haar kinderen Mina en Cornelis (Cor) bleven daardoor gespaard.
Het is zoon Cor, een zeventiger via vele omwegen opgespoord, die het hier nu maar eens openbaar maakt: dat zich in de tas van zijn moeder altijd een mes bevond *.
Rijpen
Zijn zaak, de firma Calkoen & Co, had in Dordrecht een bekende klank. Men kende het bedrijf, men achtte het. Toch was Abraham Frenkel geen oorspronkelijke Dordtenaar. Geboren in Leeuwarden op 3 april 1885, betrad hij Dordrecht pas op 6 juni 1921, komend uit Rotterdam. In die stad trouwde hij op 25 oktober 1905 met de Amsterdamse Mina van Wien (6 januari 1883), en het was ook in Rotterdam dat hun eerste drie kinderen in het leven kwamen: Fijtje (1907), Wolf (1909) en Hessel (1918).
Het pand op de hoek van de Mattensteiger en de Wijnstraat, waarin |
Abraham begon in de Wijnstraat een handel in zuidvruchten: mandarijnen, sinaasappels en bananen – exotisch fruit dat voor de oorlog nog een luxe-artikel was. “Al dat fruit”, vertelt kleinzoon Cor terugblikkend, “kwam per schip aan in de Rotterdamse Maashaven. Daar werd het zolang opgeslagen in loodsen, totdat het met vrachtauto’s werd opgehaald. De bananen waren natuurlijk nog groen. Om ze te rijpen, hing mijn grootvader ze in de gaskamers.”
Hij verontschuldigt zich: “Dit is een gruwelijk woord, in dit verband. We noemden het ook wel de rijpkamers.”
Die kamers bevonden zich op de hoek van de Wijnstraat en de Mattensteiger. Daar, in de bananenstokerij, werden de zware bananenstronken opgehangen, terwijl daaronder een vuurtje brandde. Cor: “Het werd lekker warm, en zo rijpten ze. Het zijn tenslotte tropische vruchten. Vervolgens werden de bananen losgesneden van de stronk en in kisten van tien kilo gelegd, om te worden verkocht.”
Dordtenaren gaven Abraham al gauw een bijnaam: bananenjood. Cor Frenkel heeft zich hier nooit aan gestoord. “In die tijd was het geen scheldnaam. En het klopte wel: wij verkochten bananen en wij waren joods.” De firma Calkoen & Co was niet de enige in Dordrecht. Ook Henk Langeweg, gevestigd aan de Nieuwstraat en niet-joods, handelde in bananen.
In deze woning aan de Wijnstraat 11 (nu 19), |
Huwelijk
Het gezin Frenkel woonde niet aan de Mattensteiger, maar aan de overkant van de Wijnstraat, in het gebouw ‘Groot Schippershuis’, op nummer 11 rood (nu: 19). Dit grote pand is tegenwoordig een rijksmonument, het stamt uit 1776. Abraham en zijn vrouw kregen hier nog twee zonen, Levie (1922) en Samuel (1928), van wie de eerste al na tien dagen overleed, op 25 maart.
De levens van de Frenkels verliepen volgens gangbare patronen. Fijtje, hun eerstgeboren dochter, trouwde in augustus 1931 met de Rotterdamse kantoorbediende en koopman Levie Mozes de Haan (2 november 1906), en verruilde Dordrecht voor Rotterdam. Wolf was de volgende. Hij huwde in september 1935 Helena van den Adel (geboren 29 augustus 1915) uit Zwijndrecht, en betrok een paar honderd meter verder een eigen woning, in de Bleijenhoek, in de Wijngaardstraat, op nummer 48 rood (gesloopt, nieuw 48). Het eerste kind, Mina, kwam op 20 januari 1936, het tweede, Cornelis, op 1 oktober 1937.
Wolf werkte toen al jaren in het bedrijf van zijn vader. Er bestaat zelfs een fotografisch bewijs van: in het stadsarchief bevindt zich een fletse foto van drie medewerkers van de firma. Wolf staat uiterst rechts, met in het midden F. Kriens (Cor: ‘Dat is rooie Freek, een pakhuisknecht.”), en links een onbekende, waarschijnlijk ene Nico Lobé.
De foto is door Cor Frenkel zelf eind jaren tachtig afgestaan aan het archief, het weerzien ontregelt hem enigszins. “Ik heb geen internet, ik heb de foto dus nooit meer gezien. Tot nu.”
Angst
De oorlog brak uit en de onbekommerdheid eindigde. De systematische vervolging van joden tekende zich af, gevolgd door drijfjachten en knagende angst. Moeder Mina stierf in het begin van de oorlog, op 26 oktober 1941, 58 jaar oud, een natuurlijke dood. Minder natuurlijk was wat haar gezin een jaar later overkwam.
Dochter Fijtje werd op 10 november 1942 opgepakt door gedienstige politieagenten. Fijtje was in april 1938 teruggekeerd naar het huis van haar ouders, om onbekende reden. In 1942 bevond ze zich in het pand Singel 229 (nu 351). Dat was ongetwijfeld haar onderduikplek. Hoe het haar man is vergaan, is niet te traceren.
De volgende dag, 11 november, was het de beurt aan vader Abraham en zijn zoon Samuel (Sam). Zij werden in de Wijnstraat beetgegrepen, thuis. Hessel wordt in de politiedagrapporten om onverklaarbare reden niet vermeld, vermoedelijk omdat hij al eerder is gedeporteerd. Hij is namelijk in Auschwitz eerder vergast (op 30 september 1942) dan zijn vader, zus en broer (op 19 november).
Cor Frenkel, de zoon van Wolf. |
Oud-bewoonster Corry Roest heeft in haar boek ‘Herinneringen aan de Wijnstraat’ een passage gewijd aan het afvoeren van de Frenkels. “Heel triest om te zien hoe de heer Frenkel met zijn nog jonge kinderen weggevoerd wordt. De buurtbewoners leefden mee, maar konden of durfden niets te doen.”
Cor Frenkel kent deze alinea. Hij vindt: “Als je zoiets leest, denk je toch: ‘Pak ze bij hun donder”. Met ‘ze’ bedoelt hij de dienstkloppers.
Verjaardag
Een jaar later voltrok zich dat incident dat zijn vader Wolf letterlijk het leven kostte. Cor Frenkel, zes jaar oud in die tijd, heeft alle details nog pijnlijk paraat, de herinnering wil maar niet verbleken.
“Het was ergens in 1943, ik weet niet de exacte dag”, begint hij te vertellen. “Mijn vader was ’s avonds op de verjaardag van de broer van mijn moeder, in de Hollanderstraat, een zijstraat van de Diepenbrockweg in Krispijn. De zus van mijn moeder was ook aanwezig, met haar man. Die zus was net getrouwd en op de verjaardag gaf ze de trouwfoto, waarop haar man in uniform stond, in de kring door. Toen mijn vader ’m kreeg, keek hij er niet eens naar, en gaf hij de foto aan de volgende.
Op deze trouwfoto van Cor Frenkel en zijn bruid Nettie, |
“Mijn tante, zijn schoonzus, was hierdoor beledigd en is mijn vader de volgende dag gaan aangeven bij de politie. Wegens belediging van een Duits uniform. De politie heeft hem toen opgehaald bij het Zeehavenbedrijf, vlakbij de Mijlweg. Hij was daar voor z’n werk.”
Wolf Frenkel werd eerst opgesloten in het hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt. “Mijn moeder is hem daar twee of drie boterhammen wezen brengen, met ons, de kinderen, erbij. Wij hebben er daar nog een of twee van op; daar ben je kind voor. Ik zal dat nooit vergeten, want het was mijn laatste ontmoeting met hem.”
Dodenmars
Zijn moeder reisde ook enkele keren naar Amsterdam, om bij de Joodsche Raad te proberen een vrijgeleide voor haar man te krijgen, een Sperre. “Maar er was geen sprake van dat zij er een kreeg.”
Haar echtgenoot werd overgebracht naar Kamp Westerbork, en ook daar heeft zij hem nog tweemaal opgezocht. Daarna volgde transport naar Auschwitz, en raakte Wolf Frenkel uit het zicht.
Pas na de oorlog ontving Helena Frenkel een brief van het Rode Kruis, waaruit zij gewaar werd wat er met Wolf is gebeurd. Cor: “Het bleek dat hij op 9 mei 1945 is overleden, ergens in Duitsland. Vier dagen na de bevrijding dus. Wij denken dat hij vanuit Auschwitz aan zo’n dodenmars is begonnen, en onderweg naar Berlijn van uitputting is gestorven. Of gewoon is doodgeschoten.”
De Duitsers zetten, bij het naderen van het Russische leger, vanuit allerlei kampen in Polen of Tsjechoslowakije de (uitgeteerde) overlevenden op dodenmars, naar Duitsland. Tijdens deze lange, barre tochten werden mensen die slecht meekonden, rücksichtslos afgeschoten.
Het elftal van Fluks 3, begin jaren dertig. Cor Frenkel vermoedt |
Christelijk
Helena Frenkel overleefde de verschrikkingen van de oorlog, doordat zij christelijk was. Zodoende bleven ook haar kinderen Mina en Cor gespaard.
De fruithandel bleef intussen draaien. Cor: “Er kwam een Duitse Verwaltung, een beheerder. Met als gevolg dat alle geld naar Duitsland ging. Waar wij dan van aten? Dat weet ik niet, zo van links en rechts, denk ik.”
Na de oorlog kreeg Calkoen & Co een herstart, opnieuw onder leiding van een ‘jodenman’. “Dat was geen succes.” In 1954 trad Cor Frenkel zelf aan; voortaan ging hij de firma bestieren. “Maar er was meer schuld dan goed. ’t Was geen haalbare kaart om ermee door te gaan. Het bedrijf is toen verkocht aan Langeweg, en daarmee was het afgelopen.”
Tien jaar is Cor Frenkel in dienst van de firma Langeweg gebleven, als verkoper van zuidvruchten. Zijn zus Mina, intussen getrouwd met Dordtenaar Marinis den Hartog, koos een andere richting. “Zij zat in de horeca. Ze heeft veertig, vijftig jaar achter de bar gestaan, in De Pul op het Groothoofd.” Mina komt hier niet aan het woord. “Ze heeft de oorlog een beetje weggeborgen.”
Cor Frenkel zelf trouwde in 1962 met Nettie van Drongelen (1938), en kreeg met haar in 1965 een dochter, Wanda. Nettie is al in mei 1997 overleden. Cor sloot zijn loopbaan af bij De Jong en Lavino, een groothandel in staal te Geldermalsen, als vertegenwoordiger. Hij ging officieel met pensioen in 1998, maar bleef er daarna nog hand- en spandiensten verlenen tot zijn 69ste.
Nog een voetbalteam, nu van Hakadoer, de Dordts-joodse sportvereniging voor voetbal en korfbal, in 1931. Nummer 8 (tweede van links, eerste rij) is Hessel Frenkel, een broer van Cor Frenkels vader Wolf. De overigen zijn: 1. Simon Levisson, 2. Elie van Beugen, 3. Meijer Levisson, 4. Wim Alleman, 5. Maurits Frank, 6. Louis Leviticus, 7. Siemon de Jong, 9. Jaap de Liver, 10. Sallie Levisson, 11. Toby den Hartog, 12. Izak Leviticus en 13. Barend Zadoks. |
Mes
Zijn moeder Helena stierf al jong, op haar 69ste, in november 1984. Tot aan haar dood heeft het verraad van haar zus haar gekweld, vertelt Cor. “Ze heeft er erg onder geleden. Naderhand is de pijn wel minder geworden, maar ze is het nooit vergeten. Ze heeft ook een andere man leren kennen, en daar heb ik een prima tweede vader aan gehad.”
Hoezeer zijn moeder haar zus minachtte, blijkt uit het vervolg van Cor’s relaas. “Mijn moeder heeft haar na de oorlog aangegeven; ze is een proces begonnen. Waarom? Nou, omdat die zus haar man had verraden. Die zus is ook veroordeeld, in 1946, tot 12 of 14 jaar. Maar in 1948 is ze vrijgekomen. Juliana werd koningin en toen kregen allerlei mensen gratie.”
Er viel niets tegen te verrichten. Maar Helena Frenkel is onverminderd kwaad gebleven. “Mijn moeder heeft altijd met een mes in haar boodschappentas gelopen, voor het geval ze die zus tegen zou komen.”
* Cor Frenkel is op 12 september 2024 in zijn geboortestad Dordrecht overleden, op 86-jarige leeftijd.
< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'