Het voorbije joodse dordrecht

De Dordtse onderduiktijd van
Rob Hamburger, in drie delen
* De scherpe standpunten van Rob Hamburger


Rob Hamburger tijdens het interview, op 28 april 2017

Rob Hamburger tijdens het interview, op 28 april 2017.
Foto Redactie Website Stolpersteine Dordrecht.

Rob Hamburger, in de nacht van 29 op 30 juli 2022 op 90-jarige leeftijd overleden, was een van de oudste joden van Dordrecht. Hij is geboren in Rotterdam, in de Van Borsselenstraat op nummer 12, maar bracht het grootste deel van zijn leven in Dordrecht door.
        Midden in de oorlog, in oktober 1941, besloten zijn ouders, Jacob en Grietje Hamburger, dat hun zoon bij zijn grootmoeder van vaders zijde ondergebracht moest worden, Jeannette Hamburger-Mendels. De aanhoudende bombardementen op Rotterdam hadden Rob ziek van ellende gemaakt. Hij sliep niet meer, hij was getraumatiseerd.
        Zo kwam de tien-jarige Rob Hamburger in Dordrecht terecht. Zijn grootmoeder, weduwe van Jacob’s broer Bernard, woonde daar met háár zoon, de jurist en hbs-leraar mr. Emanuel Hamburger, in familiekring oom Manny genoemd. Na twee nachten, waarin hij weer gewoon had kunnen slapen, merkte hij dat zijn paniekerige angst was verdwenen. “Ik heb er nooit meer een moment last van gehad.” In oktober 1942 keerde hij hersteld terug naar Rotterdam.
        Maar toen, in 1943, werd het dringend en lijfelijk noodzakelijk om onder te duiken, en dat kon nog. Rob Hamburger werd naar Dordrecht gebracht, nu “naar een totaal onbekend adres” in de wijk Krispijn. In de Bosboom Toussaintstraat werd hij opgevangen door mevrouw De Boer, haar twee dochters Minke en Oetske en een grootmoeder. Het was het begin van een zwerftocht – niet alleen door Dordrecht, maar die hem ook naar Ermelo, Den Haag, Rotterdam en Ginneken voerde.
        Over zijn oorlogservaringen en onderduiktijd heeft Rob Hamburger een boek geschreven dat hij niet gepubliceerd heeft gekregen. Vroeger - herinneringen was de voorlopige titel ervan. Het is bescheiden van omvang: 22 A-4tjes, waarvan 16 tekst. De rest bestaat uit bijlagen en noten.
        De redacteur van deze Stolpersteine-website heeft er van Rob Hamburger een kopie van gekregen. Daaruit wordt verderop in dit artikel ruimhartig geciteerd. Dat gebeurt niet alleen om te kunnen laten zien hoe Hamburger steeds van hot naar her moest vluchten. Het gebeurt óók omdat zijn relaas het eerste is dat zo gedetailleerd een Dordtse onderduikperiode beschrijft. Historisch gezien is dat van waarde.
        Maar inhoudelijk behelst dit artikel meer dan dat. Het is ook de weergave van een interview dat de redacteur hem afnam in 2017. Rob Hamburger keurde het niet goed, onduidelijk bleef waarom. Mogelijk was dat omdat hij toen nog hoopte eerst zijn boek uitgegeven te krijgen.
        Delen van dat interview worden hier nu grotendeels geplaatst, in Aflevering 1. Het is niet het originele verhaal; het is enigszins geactualiseerd én aangepast om doublures met de navolgende aflevering te voorkomen. Daarna volgt in Aflevering 2 Hamburgers relaas over zijn belevenissen op al die verschillende onderduikadressen. In Aflevering 3 staan de reacties op het overlijden van Rob Hamburger.
        Tijdens het interview, en ook tijdens onbezorgde gesprekken in de jaren erna, betoonde Rob Hamburger zich steevast een vriendelijke, bijna hoffelijk voorkomende man. Maar hij hield er ook scherpe meningen op na die hij niet voor zich hield. Bijvoorbeeld over het fenomeen Stolpersteine of over het fenomeen onderduiken. Die standpunten, die hem al evenzeer kenmerken, worden in een afzonderlijk kader onderaan Aflevering 3 weergegeven.
        Fatsoenshalve is dit verhaal, meer een dossier dan een artikel, vooraf te lezen gegeven aan Hamburgers Dordtse dochter Barbara.

Aflevering 1

De redacteur haalt z’n pen en bloknoot tevoorschijn. We zitten in de voorkamer van Hamburgers huis aan de Singel in Dordrecht, op 20 februari 2017. Rob Hamburger heeft zichtbaar zin in het vraaggesprek, zijn ogen glimmen guitig.
        Het is niet de eerste keer dat wij Hamburger ontmoetten. In 2015 is hij ook al eens geïnterviewd − over dat er in de oorlog, in Dordrecht, en met name in de wijk Krispijn, een netwerk heeft bestaan van SDAP’ers, die joodse onderduikers in hun huizen opnamen en naar elkaar doorverwezen. Deze sociaal-democraten hadden niet alleen hun belangeloze hulpvaardigheid gemeen, ook een hartgrondige afkeer van nazi’s.
        Hamburger was de eerste die erover sprak. Tot dan was de rol van deze onderduikgevers in lokaal-historische boeken en andersoortige publicaties nooit beschreven. De reden? De betrokken SDAP’ers zwegen erover – al helemaal uiteraard in de oorlog, maar ook nog, vasthoudend, na de oorlog. Zij vonden het vanzelfsprekend wat ze hadden gedaan. Het was niets om over te praten, laat staan pochen.
        Hoe hun aandeel dan nu, ruim zeven lange decennia na het einde van de Tweede Wereldoorlog, dan toch in de openbaarheid is gekomen? Door toeval. Rob Hamburger, een joodse jongen uit Rotterdam die zich in de oorlog schuilhield in Dordrecht, wist van het bestaan van het netwerk, omdat hij dankzij dat netwerk zelf uit handen van de Duitsers was gebleven. Hij had het bestaan van het netwerk aan den lijve ervaren.
        Over dat netwerk ging het eerste interview met Hamburger. Hij ontvouwde de geheim gebleven historische feiten. Het artikel erover kwam in het tijdschrift van de historische vereniging ‘Oud-Dordrecht’, in nummer 1 van 2016.
        Nu, tijdens het interview in februari 2017, kwam het andere onderwerp aan de orde, Rob Hamburger zélf. Hij heeft in de oorlog namelijk op nogal wat adressen in Dordrecht − én elders in Nederland – angstig ondergedoken gezeten. Daarover gaat het nu. Wat heeft hij meegemaakt, hoe kijkt hij op die donkere periode terug?
        Hij begint te vertellen, eerst nog vrijuit over zijn ouders en zijn geboortestad Rotterdam. Maar het gaat haperen zodra de onderduikadressen ter sprake komen.

Bernard (‘Bert’), de oudere broer van Rob Hamburger, werd geboren op 22 juni 1929, aldus een bericht in ‘De Maasbode’ van 26.6.1929.
Foto Delpher

Bernard Hamburger werd geboren op 22 juni 1929

In deze woning aan de Singel, op nummer 42 zwart, ging Rob Hamburger in oktober 1941 logeren, om bij te komen van de bombardementen op Rotterdam.
Foto Redactie Website Stolpersteine Dordrecht.

Singel, op nummer 42 zwart

Verkering
Het was in Rotterdam dat Jacob Hamburger, geboren in Nijkerk op 20 februari 1897, verliefd raakte op Greta (‘Grietje’) de Leeuw, ook al geen Rotterdamse. Zij, afkomstig uit Steenwijk en er geboren op 6 oktober 1903, kwam nadat zij de opleiding hbs A had voltooid, als stenotypiste en secretaresse te werken bij een levensmiddelenhandel in Rotterdam. Daar bleek ene Jacob Hamburger rond te lopen, ook een nieuwe kracht. De twee kregen verkering en trouwden op 28 december 1927. En zo ontstond Rob Hamburger.
        Hij was niet het eerste kind. Dat was Bernard, kortweg Bert genoemd, die op 22 juni 1929 ter wereld kwam. Rob Hamburger volgde op 5 augustus 1931.
        Jacob Hamburger, zijn vader, had een jongere broer, die zijn leven anders inrichtte: Emanuel, door iedereen ‘Manny’genoemd. Terwijl Jacob in de loop der jaren van kantoorbediende opklom tot procuratiehouder, ging Emanuel, geboren in Nijkerk op 8 augustus 1901, economie en rechten studeren. Hoewel hij meester in de rechten werd, ging hij lesgeven, eerst op de hbs in Zierikzee, later op eenzelfde, gemeentelijke school in Dordrecht. Politiek weerde hij zich duchtig; hij werd in Dordrecht bijvoorbeeld voorzitter van de SDAP-afdeling. Hij was ongehuwd en bleef het.
        Emanuel en Jacob waren zonen van veehandelaar en slager Bernard Hamburger (Nijkerk, 7.12.1855) en Jeannette Mendels (Groenlo, 11.9.1872). Hun vader kwam in 1929 op 73-jarige leeftijd te overlijden, op 21 april. Hun moeder bleef in Amersfoort wonen, aan de Bisschopsweg, op nummer 164, maar vertrok op 7 mei 1940, enkele dagen nadat Duitsland Nederland binnenviel, naar Dordrecht, om er in te wonen bij haar zoon Emanuel, op het adres Singel 42 zwart, het benedenhuis. En het was dáár, bij zijn oom en oma, dat Rob Hamburger in oktober 1941 uit pure noodzaak ging logeren.

 Rotterdamse gezinskaart van Jacob en Grietje Hamburger

De Rotterdamse gezinskaart, voor- en achterzijde, van Jacob en Grietje, de ouders van Rob Hamburger.

Interessant
Oorspronkelijk woonde het gezin Hamburger in Rotterdam in de Van Borsselenstraat, op nummer 12, een korte zijstraat van de Heemraadsingel. Vandaar verhuisde het naar Scheveningen, naar de Alkmaarsestraat, op nummer 19. Dat was maar voor kort, van 12 juli 1935 tot 13 oktober 1936. Terug in Rotterdam werd het adres Beukelsdijk 74a. Tijdens de oorlog kwam het gezin op die locatie “echt midden in de bombardementen te zitten”, vertelde hij tijdens het interview.
        De aanhoudende bombardementen, die dag en nacht doorgingen, sloopten hem uiteindelijk. Eerst vond hij ze “allemaal hartstikke interessant”. “Voor een groot gedeelte leefde ik altijd op straat. Dat was niets bijzonders; dat deden alle Rotterdamse jongens. En dan zag je die half uit elkaar gevallen huizen.” Maar hoe avontuurlijk dit ook was, het slaapgebrek velde hem. “Ik sliep gewoon niet meer, door de nachtbombardementen. Ik durfde niet meer naar bed.”
        Zijn ouders stuurden hem in oktober 1941 naar Dordrecht, naar zijn grootmoeder Jeannette Hamburger-Mendels. “Om bij te komen, om te herstellen.”
        In Dordrecht bezocht Rob Hamburger, tot oktober 1942, de joodse school, die achter de synagoge aan de Varkenmarkt was gelegen. Dat hield op toen de Duitsers joden steeds meer beperkingen oplegden. Hun bewegingsvrijheid werd draconisch kleiner en kleiner, hun levens werden feitelijk in de ankers gegooid. Gaandeweg werd het tegelijk levensgevaarlijk om je als jood nog op straat te begeven. De Duitsers waren er op uit de joden te vernietigen, in verre vernietigingskampen.
        Noodgedwongen dook Rob Hamburger onder, zo ook zijn grootmoeder, zijn broer Bernard en hun ouders. Waar wie zich verstopte, wisten de Hamburgers in eerste instantie niet van elkaar.


eerste onderduikadres voor Rob Hamburger aan de Bosboom Toussaintstraat, bij de familie De Boer, op nummer 27 (nu: 37)

Het eerste onderduikadres voor Rob Hamburger in Dordrecht aan de Bosboom Toussaintstraat, bij de familie De Boer,
op nummer 27 (nu: 37; links van de afvalbak).
Foto Redactie Website

Boek
Rob Hamburger kwam terecht in Krispijn. Op onze vraag wáár precies, op welk adres, aarzelt hij en zwijgt hij een moment.
        Na enige aandrang legt hij zijn afhoudende reactie uit: hij heeft een boek geschreven dat hij begin 2016 heeft voltooid. Het boek bestrijkt zijn leven vanaf z’n vroegste herinnering (“Als twee-jarige zag ik de witgele trams van Rotterdam, die er tot 1933 hebben gereden”) tot mei 1945). Hij zoekt er nog een uitgever voor. In dit boek wil hij het verhaal van zijn onderduiktijd vertellen; vandaar zijn aarzeling.
        [Het exemplaar dat Hamburger later aan de redacteur overhandigde, is een ander, telde slechts 22 A-4tjes en had nu als titel: Vroeger – herinneringen. Het verschil tussen de ene en andere versie kan niet meer opgehelderd worden, red.]
        Even later geeft hij toch een naam prijs: Minke de Boer-Zuidema. Zij was de zogeheten onderduikgeefster. En dan is het in openbare archiefbestanden niet moeilijk zoeken naar de onderduikplek van Rob Hamburger: de Bosboom Toussaintstraat, nummer 27.
        Terzijde: moeder Zuidema (Almenum, gemeente Barradeel, 14.12.1887) trouwde op 3.8.1914 met Geert de Boer (Harlingen, 18.12.1888). Op 16 maart 1920 betraden zij Dordrecht, waar ze zich aanvankelijk vestigden in de Sumatrastraat 13 rood, op 15 november dat jaar op de Krispijnseweg 145. Zes jaar later, op 22 april 1926, betrokken zij de kleine woning aan de Bosboom Toussaintstraat (nu: 37). In de tussenliggende jaren kreeg het echtpaar twee dochters, Oetske Roelofke op 18 december 1922, Minke op 3 februari 1927. Vader Geert de Boer, leraar aan de ambachtsschool, overleed op 6 oktober 1937.
        Rob Hamburger kon onderduiken bij de weduwe De Boer en haar twee dochters. Het was niet het enige adres waar hij zou verblijven, wel het adres waar hij het langst ondergedoken zat – en het adres waar hij tot op de dag van vandaag met plezier aan terugdenkt. Daarover verderop meer.

Principieel
Het onderbrengen van Hamburger geschiedde door SDAP’ers, plaatselijke socialisten die een bloedhekel aan de nazi’s hadden. Zodoende kwam Hamburger in aanraking met een geheim netwerk dat niet eerder is ontvouwd. “De SDAP was een belangrijke, politieke factor in Dordrecht”, vertelt hij. “Door hun politieke achtergrond hadden zij, samen met een handje communisten, principieel iets tegen het nazibewind. Die groep mensen kenden elkaar natuurlijk, en voor het onderduiken in Dordrecht zijn zij van enorme betekenis geweest. De SDAP’ers vormden een vrij groot, hecht verband van mensen die onderduikers hielpen en aan elkaar doorgaven.”
        Maar waarom is hun aandeel onbelicht gebleven?
Hamburger, op resolute toon: “Omdat ze er na de oorlog hun mond over hebben gehouden. Men was gewend daar niet over te praten.”
        Was dat uit bescheidenheid?
“Je sprak er niet over. Dat werd als vrij normaal gezien. Men vond het niet uitzonderlijk. En daardoor is hun rol onbesproken, onbekend gebleven.”
        Hoeveel joden hebben zij kunnen redden op deze manier?
“Dat weet je dus niet, juist omdat zij erover zwegen. Maar ik ben zelf vier keer in Krispijn verplaatst, en daar kwam ik anderen tegen die ook op verschillende adressen hebben gezeten, en zo krijg je een indruk. Het moeten er velen zijn geweest.”
        Hamburger waardeert het naoorlogse stilzwijgen van deze SDAP’ers. Hij noemt ze “de ware verzetslieden”. Hij formuleert het nog scherper: “Al die mensen die na de oorlog zo geweldig opgaven over hun verzetsdaden, daar had je als onderduiker niet terecht gekund.”
        SDAP’ers waren niet de enigen die onderduikers hielpen. Ook bijvoorbeeld dappere gereformeerden, en hun predikanten, hebben toch naar verluidt ruimhartig joden in huis genomen?
        Hij knikt; hij kent het gegeven. Maar, zegt Hamburger: “Ik heb er nooit iets van gemerkt. Ook achteraf gezien kan ik niet zeggen dat de kerken een heldhaftige rol hebben gespeeld. Terwijl de wereld in brand stond, zijn de geformeerde kerken aan het eind van de oorlog voornamelijk bezig geweest met kerkscheuringen.”

Verraden
Details geeft hij niet over zijn langdurige onderduikperiode, die duurde tot de bevrijding. Men gelieve daartoe mettertijd toch echt zijn boek te lezen, beduidt hij.
        Maar wel vertelt hij dat zijn grootmoeder Jeannette en ook zijn broer Bernard (‘Bert’) in Krispijn werden weggehouden voor de jodenjagers, ook zij verbleven bij SDAP’ers. “Wij zaten op een paar honderd meter afstand van elkaar, maar wisten dat niet. Pas later in de oorlog kwam je daar achter.” Alleen zijn ouders, Jacob en Grietje, verstopten zich in de buurt van Leiden.
        In die onderduik hebben zij zich allemaal weten te redden. Deze Hamburgers hebben de oorlog weten te doorstaan, zo ook een zus van Jacob, de hier nog niet genoemde Betjen (Nijkerk, 21.12.1897). Ongedeerd kwam zij, samen met haar echtgenoot Lion Salomons (Zwolle, 17.9.1891), bij de bevrijding tevoorschijn uit de onderduik.
        Dat gold niet voor Jacob’s broer Emanuel. Die wilde, zegt Rob Hamburger, niet onderduiken. Hij werkte liever in het verzet. “Een oud-leerling van de hbs die voor de Sicherheitsdienst werkte, heeft Manny een keer op straat herkend en verraden.” Emanuel Hamburger werd gearresteerd en opgesloten in de strafgevangenis in Scheveningen.
        Op 18 februari 1945 is hij, samen met negen lotgenoten, gefusilleerd bij Heinenoord, als vergelding voor een aanslag op de NSB-burgemeester van Oud-Beijerland. Elders op deze site is daar een apart verhaal aan gewijd, te vinden via deze link.

Cartoons
Hoe verliepen na de oorlog in grote lijnen de levens van de overlevende Hamburgers?
        Nadat Rob en Bernard waren herenigd met hun ouders, ging het gezin Hamburger, inclusief oma Jeannette, vanaf 22 mei 1945 weer aan de Singel wonen, in het voormalige woonhuis van Emanuel. Daar bleven ze tot 8 juni 1948. De grootmoeder vertrok naar Amersfoort, het gezin keerde terug in Rotterdam.
        “Min of meer als ongewenste vreemdeling moest je maar zien dat je er een huis kreeg”, herinnert Rob Hamburger zich. “Ons ouderlijk huis was weg, kapot. Maar op nummer 42 van de Beukelsdijk stond een huis leeg, dat gebruikt was door de bezetter. Daar zijn we ingetrokken.”
        Rob Hamburger, intussen een volwassene geworden, kreeg een baan bij een grote, internationale handelsfirma in Rotterdam, als in- en verkoper van verduurzaamde levensmiddelen. Het werk begon hem op den duur tegen te staan, “Ik werd zo’n figuur als in cartoons, waarin kinderen zeggen: ‘Wie is die vent die hier slaapt?’”
        Hij besloot Nederlands te gaan studeren, in Leiden. Daar ontmoette hij Marijke (‘Mary’) Kooistra (1933), die er de kleuterkweekschool volgde. In september 1975 kon hij in Zwijndrecht aan de slag als docent Nederlands, op het Walburgcollege. Wonend in Dordrecht is hij dat gebleven tot aan zijn pensionering, in 1996. Daarna trad hij als docent Nederlands in dienst bij het Luzac College, een particuliere middelbare school met vestigingen over heel Nederland verspreid, waarop leerlingen versneld hun diploma kunnen halen. Dit werk heeft hij tot zo’n vijf jaar geleden, tot zijn 81ste, volgehouden.

Overlijdensadvertentie van Jeannette Hamburger-Mendels en grafsteen. Rechts Grafsteen van Bernard Hamburger

Rob Hamburger was op een bepaald moment als enige nog over van zijn familie. Zijn grootmoeder Jeannette Hamburger-Mendels overleed op 26 april 1956, 83 jaar oud. Zij is begraven op de joodse begraafplaats Toepad in Rotterdam. Zijn grootvader Bernard Hamburger was al in 1929 gestorven, op 21 april (73). Hij werd begraven op de joodse begraafplaats in Nijkerkerveen.


geboorte van de tweeling Erik en Barbara

De geboorte van de tweeling (Erik en Barbara) die Rob Hamburger op 17 februari 1962 kreeg met Marijke (‘Mary’) Kooistra, aldus een bericht in het ‘Algemeen Handelsblad’ van 21.2.1962.
Foto Delpher

Vier
Vier kinderen kreeg Hamburger met Mary, de tweeling Erik en Barbara op 17 februari in 1962, zoon Bernard op 5 februari 1965 en een dochter, van wie de naam op haar verzoek hier ongenoemd moet blijven. Zodra zij zichzelf konden redden, legde Mary zich toe op het maken van speelgoedberen en patch-work quilts. Zij gaf er handwerkcursussen over, door het hele land. Mary Kooistra, geboren op 6 mei 1933 in Portsmouth, is overleden op 4 april 2014.
        Van de familieleden met wie Rob Hamburger de onderduik verliet, is hij als enige nog over. Zijn grootmoeder Jeannette overleed op 26 april 1956, 83 jaar oud. Zijn moeder Grietje bereikte de 70-jarige leeftijd; zij stierf op 11 februari 1974, een jaar later gevolgd door haar echtgenoot Jacob (‘Jac’), op 26 juni 1975, 78 jaar oud, eveneens in Rotterdam. Oom Lion werd 69, hij overleed op 7 juli 1961 in Amersfoort. Zijn vrouw Betjen Hamburger, werd aanmerkelijk ouder, zij stierf op 24 september 1992, 94 jaar oud, in Amstelveen.
        Minke de Boer-Zuidema, zijn pleegmoeder in Krispijn, is heengegaan, op 30 oktober 1962 in Oosterbeek. Minke’s ene dochter Minke is als weduwe van Rens van Tienhoven overleden op 9 maart 2016 in Wageningen (89). Oetske de Boer, de andere dochter, stierf als weduwe van Jan Varkenisser op 12 juni 2000 in Bussum (82).

Overlijdensadvertenties van Greta Hamburger-de Leeuw en Jacob Hamburger

De moeder van Rob Hamburger, Greta (‘Grietje’) Hamburger-de Leeuw stierf op 11 februari 1974 (70). Ook zij is begraven op het Toepad. Een jaar later, op 26 juni 1975, overleed haar man Jacob (‘Jac’)
Foto’s ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ van 15.2.1974 en ‘NRC’ 27.6.1975

Overlijdensadvertenties van Lion Salomons en Betjen Salomons-Hamburger

Lion Salomons, een oom van Rob Hamburger, overleed op 7 juli 1961 in Amersfoort, 69 jaar oud. Diens vrouw Betjen Salomons-Hamburger stierf tientallen jaren later, op 24 september 1992.
Foto’s ‘NIW’ van 14.7.1916 en ‘NRC’ van 26.9.1992

Omgang
Terug naar het boek dat Rob Hamburger uitgegeven probeert te krijgen.
        Waarom stokken zijn memoires bij de bevrijding?
Eerst geeft hij glimlachend als antwoord: “Omdat ik daarna nooit meer iets beleefd heb.”
        Maar vervolgens heeft hij de ware reden, een nogal specifieke: “Voor mijn kinderen verklaart dit hoe onze familie en mijn pleegfamilie bij elkaar zijn gekomen, én gebleven.” Hamburger licht toe dat de onderduikfamilie De Boer vervlochten is geraakt met de Hamburgers. Dat is in de oorlog begonnen, en na de oorlog niet geëindigd. Dit geldt zeker voor Minke de Boer, de jongste dochter van Minke Zuidema, en Rob Hamburgers pleegzusje. Oetske Roelofke was al wat ouder; daar was de omgang minder intens mee.
        “Onze kinderen en die van Minke gingen met elkaar om”, vertelt hij enthousiast, “en wij, de volwassenen, met Minke en haar man.”
        Ook nu hij inmiddels weduwnaar is, is het contact met de kinderen van Minke intact gebleven. “Het is gewoon familie.”
        Terugkijkend concludeert hij opgetogen: “In feite heb ik aan de oorlog de onderduikfamilie overgehouden. Ik ben er rijker uitgekomen. Het is één geheel geworden.”

***

Dit was in grote lijnen het artikel dat Rob Hamburger, nadat het interview was uitgewerkt, kreeg toegestuurd − om het eventueel te corrigeren op onjuistheden.
        Hij keurde het in z’n geheel af. Waarom precies bleef, zoals gezegd onduidelijk. Het vermoeden is dat hij toch eerst liever dat boek gepubliceerd wilde hebben. Maar dat is er uiteindelijk niet meer van gekomen.
        Omdat de informatie die het manuscript bevat over Hamburgers zwerftocht langs allerlei onderduikadressen historisch van belang is, wordt in Aflevering 2 geschetst van waar tot waar hij steeds had te vluchten. Die informatie komt uit de versie van het manuscript dat Hamburger de redacteur na 2017 ten slotte een keer persoonlijk in handen heeft gegeven, wetend dat er gebruik van gemaakt ging worden.


Aflevering 2

In deze Aflevering 2 worden de onderduikadressen beschreven waar Rob Hamburger zich heeft kunnen verstoppen. Dat zijn er “nogal wat”, zoals hij zelf schreef in zijn manuscript over de oorlogsjaren. Hij ging van hier naar daar in Dordrecht en ook nog eens van Ermelo, via Den Haag en Rotterdam naar Ginneken.
        Wat hij onderweg meemaakte en bij wie hij terecht kon, is hieronder te lezen. Zijn uitgebreide relaas, het wordt hier nog eens benadrukt, is het eerste waarover de Dordtse werkgroep Stolpersteine de beschikking kreeg. Onderduikadressen bleven in, en ook tot ver na de oorlog, gemeenlijk geheim. Dat maakt het manuscript van Rob Hamburger geschiedkundig nu juist zo interessant – en vermeldenswaard.
        In Aflevering 2: een inkijk in het leven van een joods kind op de vlucht.

pagina van het manuscript van Rob Hamburger over met name zijn onderduiktijd in Dordrecht

Dit is de eerste pagina van het manuscript van Rob Hamburger over met name zijn onderduiktijd in Dordrecht.
Foto Redactie Website


Beukelsdijk op nummer 74

Het gezin Hamburger woonde voor en in de oorlog op de Beukelsdijk op nummer 74a. Deze foto toont het pand in huidige staat. Nummer 74 is waar de klimop omhooggroeit.
Foto Google Streetview

Odyssee
Voorafgaand aan zijn “odyssee in bezet gebied” was Hamburger al eens in Dordrecht geweest, ongeveer van oktober 1941 tot oktober 1942. De directe aanleiding tot dat verblijf waren de bombardementen op zijn woonstad Rotterdam. Die deden bij hem het draadje breken, in een bepaalde nacht in de herfst, op 3 oktober 1941.
        In zijn latere manuscript schreef hij over: “Het duurde eindeloos en in mijn herinnering hoorde je achter elkaar het fluiten van bommen, het soms doffe dan weer schelle geluid van de explosies, het angstaanjagende geluid van af en aan vliegende toestellen, alles begeleid door het geblaf van afweergeschut, dat hemelsbreed een paar honderd meter van ons af in het Vroezepark in Blijdorp stond opgesteld.”
        Hamburger kon de volgende dagen, nachten eigenlijk, niet meer slapen. “Ik durfde niet meer naar bed te gaan. Tegen de avond, als het begon te schemeren, durfde ik de trap niet meer op, werd ik ziek van ellende; ik bestond uit angst.”
        Zoals in Aflevering 1 al is beschreven, besloten zijn ouders dat Rob naar zijn grootmoeder moest, die in Dordrecht woonde, samen met haar zoon, oom Manny. Die oma was, zie Aflevering 1, Jeannette Mendels, de weduwe van Bernard Hamburger. Dit echtpaar had twee zonen gekregen, Jacob en Emanuel. Jacob was de vader van Rob, Emanuel was die Manny, een leraar geschiedenis aan de hbs in Dordrecht.

Vooraan op deze foto van de 1 Mei-optocht van de SDAP in de Dordtse Amalia van Solmsstraat in 1938 staat in lichte jas mr. Emanuel Hamburger

Vooraan op deze foto van de 1 Mei-optocht van de SDAP in de Dordtse Amalia van Solmsstraat in 1938 staat in lichte jas mr. Emanuel Hamburger, de afdelingsvoorzitter, leraar en jurist. In diens huis kon Rob Hamburger bijkomen van de oorlogsverschrikkingen in Rotterdam. Emanuel is de broer van de vader van Rob en bij hem woonde in hun moeder Jeannette.
        Achter Hamburger, onder de ‘D’ van het spandoek, staat, ook in een lichte jas, staat Henk van Es, de latere PvdA-wethouder. Van Es woonde onderin hetzelfde pand als waarin Rob Hamburger in de oorlog onderdook, op de bovenverdieping bij de familie Klootwijk.
Foto RAD (nr. 555_15305)

Sereen
Grootmoeder Jeannette woonde pas sinds kort in Dordrecht in bij haar zoon Emanuel. Nadat haar Bernard op 21 april 1929 op 73-jarige leeftijd was overleden, bleef zij aanvankelijk nog in Amersfoort wonen. Maar enkele dagen nadat Duitsland Nederland was binnengevallen, vertrok zij op 7 mei 1940 met zoon Emanuel naar Dordrecht, naar het adres Singel 42 zwart, het benedenhuis. En het was daar dat Rob Hamburger in oktober 1940 kwam te logeren.
        Hij vertrok alleen uit Rotterdam, met de trein. Op weg van het Dordtse station naar het huis van zijn grootmoeder, die hij ‘Omoe’ noemde, zag hij de “serene, landelijke sfeer die er in dat voor mijn begrip kleine plaatsje heerste”. “Het was stil op straat, ook overdag, geen trams, een enkele auto, geen brede straten, het leek wel op de mensen langzamer liepen en voorzichtiger fietsten.”
        Hij kreeg een kamer achter in het huis, met openslaande deuren naar de tuin, “die heel diep was”. “Ik ging gewoon naar bed, ik sliep en werd pas de volgende ochtend wakker: geen luchtalarm, geen vliegtuigen te horen, niks.” Na twee nachten drong tot Rob Hamburger door dat ‘Dordrecht’ heilzaam op hem werkte.” Niet alleen mijn paniekerige angst voor dat luchtalarm, maar ook mijn heimwee was verdwenen. Ik heb er nooit meer een moment last van gehad.”
        Hij kwam terecht op een school die “schrijnend” anders was dan zijn voormalige Rotterdamse Van Oldenbarneveltschool. Daar waren twee verdiepingen met brede gangen, een groot gymnastieklokaal, een sportveld en zes ruime klaslokalen. Hier, in Dordrecht, bestond de school uit “een gebouwtje”, met twee of drie klaslokalen, dat achter de synagoge aan de Varkenmarkt was geplaatst.
        In de weekenden kwamen zijn ouders en broer Bert meestal bij omoe slapen. Totdat zijn ouders, oom Manny en grootmoeder “het tijd vonden” om aan onderduiken te denken. “Het kon nog.”
        Was hij bang? vraagt hij zichzelf. “Ja, onophoudelijk en ik kan me nauwelijks voorstellen hoe ik die constant aanwezige angst zo ver naar de achtergrond heb weten te verdringen, dat ik toch tamelijk normaal bestond.”

archiefkaar van het gezin De Boer

Dit is de archiefkaart, voor- en achterzijde, van het gezin De Boer, het eerste onderduikadres van Rob Hamburger.
Foto Regionaal Archief Dordrecht (RAD)

Donker
Eind 1943 “was het zover”: Rob Hamburger kon niet langer bij zijn grootmoeder op de Singel blijven; hij moest er weg. “Ik wist wel dat er iets in de lucht hing, maar dat het zo plotseling zou zijn, had ik niet verwacht.”
        Nellie Haverkamp Begemann, de verloofde van zijn oom Manny, bracht hem naar “een totaal onbekend adres ergens” in de wijk Krispijn, buiten de binnenstad gelegen. Nellie was kinderarts, met haar zus Pien woonde ze in een groot huis aan de Rozenhof, waar ze ook haar praktijk had. Rob Hamburger “kwam er vrij vaak”. “Zij had voor mij niets vreemds, ik was helemaal vertrouwd met haar.” Elders op dezer website staat een verhaal over de familie Haverkamp Begemann, nummer 197, zie link.
        Hamburger kwam “in het donker” aan op het onderduikadres, op nummer 27-29 (nu: 37-39) van de Bosboom Toussaintstraat. Daar woonde “mevrouw De Boer”, ofwel Minke Zuidema (Almenum, 14.12.1887), de weduwe van Geert de Boer (Harlingen, 18.12.1888), een leraar van de ambachtsschool die op 6 oktober 1937 in Dordrecht was overleden. Minke had twee dochters, Oetske Roelofke (18.12.1922) en Minke junior (3.2.1927), die nog bij haar woonden, evenals haar schoonmoeder Fokje Zuidema (Almenum, 4.1.1891) − door Rob Hamburger “grootmoeder” genoemd.
        “De jongste dochter was veel ouder dan ik: vier jaar! Ze zat op de hbs. De oudste dochter zat op de kweekschool. Ze was bijna klaar met haar opleiding tot onderwijzeres. De grootmoeder had de bovenachterkamer; we noemden haar ‘Beppe’, Fries voor ‘grootmoeder’. (…) Het was geen groot huis. (…) Ik kreeg het zijkamertje op de 1ste verdieping. (…) Ik bleef veel boven of op de kamer van Beppe, waar ook een boekenkast stond.”
        ’s Avonds ging Rob meestal samen met Minke wandelen over de naburige Krispijnseweg.

Pleegmoeder
Mevrouw De Boer, nu “de pleegmoeder” van Rob, had een slechte gezondheid, ze was ziek. Ze had “hoognodig een tijd rust nodig om te herstellen”. Oom Manny besloot in 1943, “ongetwijfeld in samenspraak” met Nellie Begemann, dat Rob Hamburger “wel eens aan vakantie toe zou zijn, net als mijn onderduikfamilie” [de De Boers]. Hij kwam op het “achteraf onzinnig te noemen idee” om naar een huis in Ermelo te gaan. “Oom Manny wilde er waarschijnlijk ook wel eens als gewoon mens uit.”
        Uit zijn manuscript valt op te maken dat Rob Hamburger, na het verblijf in Ermelo, werd opgehaald door en terugreisde met “tante Rie”, de vrouw van “Oom Jan”. Dit waren familieleden van zijn ouders, die in Rotterdam aan de Beukelsweg woonden, op nummer 80b.
        Hamburger ging niet meteen terug naar Dordrecht, want mevrouw De Boer moest nog wat rust gegund worden. Er volgde een “odyssee” door bezet gebied, een zwerftocht die onderweg een hachelijk, gevaarlijke moment kende.
        In Amersfoort stopte de trein, die bestond uit afzonderlijke coupés, met tegenover elkaar twee banken met vier zitplaatsen. Ineens bleek er een razzia gaande. Twee mannen in uniform liepen al over het perron, met tussen hen in een man die ze bij de armen vasthielden.
        Hamburger durfde zich nauwelijks te bewegen. “Ik had al drie keer dezelfde zin gelezen in het boek dat ik in mijn handen hield.” Toen klonk er een verlossend fluitje, de trein schokte en begon weer langzaam te rijden. Het duurde lang voordat hij tante Riet durfde aan te kijken. “Vanaf dat ogenblik wist ik dat je steeds weer nóg banger kon zijn.”

archiefkaart van familie Van der Hilst

Na een verblijf in Ermelo, Den Haag en Rotterdam kon Rob Hamburger onderduiken bij de familie Van der Hilst die woonde op de hoek van de De Josselin de Jongstraat en de Jacob Marisstraat.
Foto’s RAD

Japans
Eerst ging hij naar Den Haag, naar kennissen van tante Rie en oom Jan. Aardige mensen waren het, wonend in een bovenhuis aan (mogelijk) de Fahrenheitstraat. Hamburger weet “niets anders meer” van hen, ook niet hoe lang hij er gebleven is. De zwerftocht werd voorgezet via Oegstgeest: een Japanse familie aan de Warmonderweg. “Aardige mensen met grappige kleine kinderen, jonger dan ik.”
        Vandaar ging het naar een boerderij ten noorden van Rotterdam, een veeteeltbedrijf met een kaasmakerij. Tante Rie bracht hem er op de fiets. Er waren twee kinderen en hij weet niet meer hoe lang hij er was, maar het was er “heel prettig”. Op een dag hoorde de boer, of zijn vrouw, dat er in de buurt een razzia naar onderduikers gaande was. Omdat er op de boerderij geen goede schuilplaats was en de kinderen “van mijn bestaan wisten”, had verstoppen geen zin.
        Hamburger wilde zich per se niet laten pakken en vluchtte naar Rotterdam, op de fiets. Hij meldde zich bij tante Rie en oom Jan en bleef er een nacht. De volgende dag ging hij van de Beukelsweg naar de Mathenesserlaan, naar de grootmoeder van zijn neef Toekie, die hij ‘oma Alie’ noemde. Hij is er “enige tijd gebleven”, vooral omdat hij ziek was: een zomergriep.
        Daarna kwam Dordrecht nóg niet in zicht, maar ging hij naar een pension in Ginneken, bij het Mastbos. Hamburger verbleef er met zijn nichtje Trees en haar pleegmoeder tante Adri, beiden uit Rotterdam. En toen pas werd hij weer “afgeleverd” in Dordrecht, maar niet opnieuw bij mevrouw De Boer. Hamburger moest nu onderduiken bij “meneer en mevrouw Van der Hilst”, zijn tweede Dordtse onderduikadres, ook in Krispijn.

hoek van de De Josselinstraat en de Jacob Marisstraat

Deze foto toont de hoek van de De Josselinstraat en de Jacob Marisstraat in juli 1978. Het aanzien van de buurt is sindsdiens nogal veranderd. In het hoekhuis woonde indertijd de familie Van der Hilst, die er een sigarenwinkel had.
Foto RAD (nr. 554_36414)

Sigarenwinkel
Wouter van der Hilst (Watergraafsmeer, 15.7.1897) was op 7 april 1921 in Dordrecht getrouwd met Hendrika Battermann (Amsterdam, 21.12.1894). Hij was metaalbewerker geweest. Maar thans had hij “een goede beklante” sigarenwinkel annex postagentschap en deed hij in verzekeringsagenturen. Zijn nering stond in de De Josselin de Jongstraat op nummer 2, op de hoek met de Jacob Marisstraat. Bij hen woonde hun pleegdochter Margaretha (‘Greet’) Visser (Amsterdam, 2.8.1930), die zich gaandeweg Visser van der Hilst ging noemen.
        “Hoe ze in Dordrecht terecht zijn gekomen, weet ik niet, wel dat ze uit Amsterdam kwamen”, schrijft Rob Hamburger over hen en dat “mevrouw Van der Hilst onversneden Amsterdams sprak”. Het huis was “niet groot, maar ik had niet het gevoel dat er geen ruimte genoeg was”. Rob Hamburger was overigens niet de enige die zich verstopte bij de Van der Hilsts. Er waren nog twee onderduikers, een vader met de achternaam Susan, en diens dochter Cilly, die “net zo oud was als ik”.
        Zijn broer Bert had ook nog even bij Van der Hilst ondergedoken gezeten, totdat hij terecht kon bij juffrouw Huiberdina A.J. Traarbach in de Obrechtstraat op nummer 2 rood (nu: 4). Bij haar was ook de grootmoeder van Rob en Bert in huis, Jeannette Mendels. De familie Traarbach was “een bekende Dordtse familie”, die “een belangrijke plaats innam in de Dordtse SDAP”. Ook de familie Van der Hilst waren “echte SDAP’ers”.
        Rob Hamburger weet niet meer hoe lang hij bij de Van der Hilsts is gebleven, maar eind 1944 kon hij weer terug naar mevrouw De Boer, zijn pleegmoeder in de Bosboom Toussainstraat. Het ging met haar gezondheid “weer beter”. Oetske, de oudste dochter, ging het huis uit, zij trouwde met Jan Varkevisser, die in Papendrecht bij de Fokkerfabriek werkte. Het paar ging wonen op de Krommedijk. Alleen Beppe en de jongste dochter waren er nog, Minke. Rob Hamburger, 13 jaar inmiddels beschouwde haar, de 17-jarige, als “een grote zus”. Elke avond bracht zij hem naar bed en liet de deur op een kiertje open.

archiefkaart van familie Klootwijk

Het laatste onderduikadres, tot aan de bevrijding, was in de Bilderdijkstraat, bij de familie Klootwijk.
Dit is de kaart van dat gezin, voor- en achterzijde.
Foto’s RAD

Suikerbiet
Eigenlijk was er in die winter van 1944 “geen eten meer” voor de vier aanwezigen. “De Centrale Keuken, waar je tegen inlevering van distributiebonnen eten kon halen, verschafte niet meer dan magere soep.” Feitelijk was er geen brandstof meer om te kopen, laat staan om het huis een beetje te verwarmen. Op een noodkacheltje werd geraspte suikerbiet gekookt. “Het sap werd ingekookt en was zoet en redelijk voedzaam. Er was alleen nooit genoeg!’, schrijft Hamburger, die net als Minke nog in de groei was, “het ging niet meer.”
        Op advies van de dokter is Minke begin maart 1945 naar een oom Jan gebracht, in Lambertschaag in Noord-Holland. “Dat was nog een hele organisatie, want er reden geen treinen meer en je had een speciale vergunning nodig om over de brug naar Zwijndrecht te gaan.” Daar heeft de huisarts toen voor gezorgd. Beppe ging naar Oetske en Rob Hamburger ging ook naar Noord-Holland, voor de duur van twee weken. “Ik heb het er heel erg naar m’n zin gehad. Een man in huis, een grote, rustige man, die met me sprak of ik ook volwassen was, geen kind.”
        Intussen, zo valt in het manuscript te lezen, kon Rob Hamburger nog altijd niet buiten spelen, niet voetballen. Hij moest zich immers als onderduiker verborgen houden. Zo nu en dan kreeg hij op de onderduikadressen een brief van zijn ouders. Hij schreef ze terug over wat híj beleefde. “Maar ik wist dat ik niks mocht schrijven dat ons zou kunnen verraden als een brief werd onderschept en in verkeerde, Duitse handen zou raken. De brieven die ik kreeg, mocht ik niet bewaren.”
        Hij kreeg die brieven toegespeeld door een collega van zijn oom Manny, meneer De Haan, scheikundeleraar aan de hbs en het gymnasium. Pas aan het eind van de oorlog, in het voorjaar van 1945, hebben de ouders de brieven van Bert en Rob niet meer weggedaan. “Niemand twijfelde er meer aan dat het nu wel heel snel zou zijn afgelopen”.

archiefkaart van familie Van Es

Bernard, de broer van Rob, is ondergedoken geweest bij de onderburen van de Klootwijks, het gezin van Es.
Dit is de kaart van de familie Van Es.
Foto’s RAD

Laatste
Het volgende, tevens laatste onderduikadres van Rob Hamburger werd de Bilderdijkstraat, op nummer 10 rood, de bovenwoning. Daar woonden sinds april 1939 Willem Klootwijk (Zwijndrecht, 2.11.1914) en zijn vrouw Willemina Spinhoven (Polsbroek, 17.11.1912). Wim en Mien heette dit kinderloze echtpaar.
        Wim Klootwijk werkte als kantoorbediende bij de groeten- en fruitveiling Zwijndrecht & Omstreken, indertijd “één van de grote tuinbouwveilingen van het land”. “Met durf en relaties” kon hij nog wél aan eten komen, “al moest hij dat met een als overzetveer gebruikte roeiboot over de rivier de stad in brengen”: de grote pont tussen Dordrecht en Zwijndrecht was wegens brandstofgebrek uit de vaart genomen. “Bovendien werd in de laatste winter alles wat op de weg of op het water bewoog, en groter was dan een piepklein bootje”, aangevallen door de Royal Air Force (RAF).
        Bij Wim en Mien heeft Rob Hamburger de laatste maanden van de oorlog door kunnen brengen.
        Onderin het huis, op nummer 10 zwart, zat zijn broer Bert, bij de familie Van Es. Het gezin bestond uit Hendrik van Es (Dordrecht, 8.11.1906), toen nog bankwerker op een motorenfabriek, later een PvdA-wethouder; zijn tweede vrouw Jannigje de Jong (Strijen, 8.2.1914), en de kinderen Alida Cornelia (‘Ali’, Dordrecht, 26.7.1930), Cornelis (‘Kees’, Dordrecht, 9.5.1932) en Marianne (‘Marjan’, Dordrecht, 3.12.1940).
        Marianne was een nakomertje uit het tweede huwelijk. De eerste vrouw van Van Es, Johanna Maria Ponsen (Dordrecht, 17.12.1906), was overleden op 8 april 1936, op 21 maart 1940 was hij daarna hertrouwd met Jannigje. Ali, vertelt Rob Hamburger terzijde, was verliefd op Bert “en hij op haar.”

Gevaarlijk
Rob Hamburger kon “niet zomaar” buitenom over straat naar zijn broer bij de onderburen lopen. Dat lukte alleen “heel snel” ’s avonds, in het donker. Overdag was zoiets “te gevaarlijk”, zeker “nu iedereen op het laatst vanaf februari dacht dat het wel gauw afgelopen zou zijn”. Maar ’s avonds was het even riskant. Na achten mocht niemand meer op straat zijn, en voor die tijd was het “nog steeds uitkijken”.
        “Een paar weken” lang was er bij de Klootwijks, los van Rob Hamburger, nóg een onderduiker, over wie Hamburger niet meer meldt dan dat het een jongen van een jaar of tien was.
        En toen kwam de bevrijding, op 5 mei 1945. Rob Hamburger sluit er zijn herinneringen aan de oorlogstijd mee af.
        Met Marjan Klootwijk aan de hand is hij “zomaar gewoon op straat, niet te geloven, op aandringen van haar moeder Jans, de stad ingegaan”. Het werd zijn “eerste avontuur, in een door iedereen toch nog als volslagen wezenloos ervaren vrijheid”. “De sensatie dat dat kon, dat het nu voorbij was, dat je zeker wist gewoon terug naar huis te kunnen wandelen, vreemd…”

***

Zijn manuscript heeft Rob Hamburger niet gepubliceerd gekregen. Het bovenstaande is er een samenvatting van.
        Begin mei 2022 hernieuwde de redacteur van de Stolpersteine-site het contact met Rob Hamburger. Als gevolg van de coronapandemie was daar langdurig de klad ingekomen. “Altijd welkom”, reageerde Hamburger op een e-mail, waarin hem werd gevraagd om een afspraak. Hij was benaderd door de historische vereniging ‘Oud-Dordrecht’ over zijn op schrift gestelde herinneringen, hij wilde zijn bijdrage tijdens ons bezoek even voorleggen. Ook stelde hij voor elkaar “svp gewoon te tutoyeren”. “Is makkelijker.”
        Een afspraak is niet echter meer gemaakt kunnen worden. Hamburger overleed op 30 juli, de uitvaart was op 10 augustus in besloten kring.


Aflevering 3


Rob Hamburger in een uitzending van RTV Dordrecht, ter gelegenheid van 75 jaar Vrijheid, op 9 mei 2021

Rob Hamburger in een uitzending van RTV Dordrecht,
ter gelegenheid van 75 jaar Vrijheid, op 9 mei 2021.
Foto YouTube/RTV Dordrecht

Rob Hamburger is kort voor zijn overlijden in juni 2022 nog geïnterviewd, door de Dordtse historicus drs. Kees Weltevrede, die net als de redacteur van de Stolpersteine-website lid is van de Dordtse werkgroep Stolpersteine. Dat was in februari.
        Weltevrede, die met Hamburger zijn onderduikervaringen doornam, heeft het vraaggesprek opgenomen met zijn mobieltje. De beide mannen kenden elkaar al langer, zij zijn allebei docent geweest. Hamburger gaf les in Nederlands, de ander in geschiedenis.


Joodsche Raadkaart van Robert Hamburger

In het archief van de Joodsche Raad bevond zich
deze persoonskaart van Robert Hamburger.
Door onder te duiken is hij ontsnapt aan
deportatie door de Duitsers.
Foto Arolsen Archives

Meisjes
Weltevrede vertelde over het interview in een In Memoriam, dat hij ten behoeve van dit dossier naderhand schreef. Dit is het:
        “Ik leerde Rob kennen bij de voorbereidingen van de tentoonstelling ‘Jong in Oorlog’ in het Stadshuis op de zolder, in 1995. We waren op zoek naar verhalen van jongeren uit de tijd van de oorlog, met de nadruk op meisjes, omdat die nog nooit in het centrum van de aandacht hadden gestaan.
        “Het organiserend team zocht vrouwen uit, die hun verhaal wilden doen voor de camera. Ze kwamen uit de toenmalige zuilen: socialistische, protestantse, rooms-katholieke en liberale hoek. We namen vele interviews af. Ik vond een aantal treffende foto’s van vrouwen in actie en van drie meisjes in het portaal van de hbs aan het Oranjepark. Achter hen was een affiche van de Nationale Jeugdstorm, een verkapte jeugdorganisatie, geplakt.
        “Rob maakte grote bezwaren, want het bleek dat twee van de drie, ‘onderduikzussen’ van hem waren van de familie De Boer uit de Bosboom Toussaintstraat. Het leek er volgens hem op dat zij reclame maakten voor die beweging. Terwijl zij gewoon leerlingen waren van de hbs en lacherig toonden dat bij de school allerlei propaganda werd gemaakt; zeer tegen de zin van de school zelf.
        “Dat laatste moest veel duidelijker uit de verf komen en daar had hij gelijk in!
        “In februari van dit jaar 2022 heb ik hem nog een keer geïnterviewd en daarbij toestemming gevraagd om zijn correspondentie met zijn familie uit 1944 en 1945 te gebruiken als een soort dagboek met relevante gegevens voor het tijdsbeeld, en dat mocht met vermelding van zijn (helaas) ongepubliceerd gebleven herinneringen. Rob was een scherp en kritisch waarnemer en een charmante gastheer, die je graag ontving in zijn huis tegenover het station!”

Rob Hamburger is in de nacht van 29 op 30 juli 2022 overleden

Rob Hamburger is in de nacht van 29 op 30 juli 2022 overleden, op 90-jarige leeftijd.
Op de Facebook-account van de Dordtse PvdA-afdeling verscheen er een bericht over hem met deze foto van hem. Hamburger is een oud-raadslid van de PvdA in Dordrecht.
Foto Facebook/PvdA

Beginselen
Ook de Dordtse afdeling van de PvdA heeft haar langjarige, uiterst loyale lid Rob Hamburger herdacht. Oud-wethouder Hans Spigt, nu voorzitter van die afdeling, schreef op 5 augustus 2022 dit In Memoriam voor de website van de PvdA-Dordrecht:
        “Eind juli is Rob overleden. Rob zou vandaag 91 jaar zijn geworden, maar wilde daar eigenlijk niks van weten. “Leeftijd is maar een getal, je moet iets met je ervaring doen!” En dat heeft Rob gedaan. Niet alleen, maar samen met Mary. Geboren in Rotterdam en in 1941 ondergebracht bij zijn oma en zijn oom Emanuel in Dordrecht, want dat was toch veiliger. De beginselen van de SDAP zijn hem, zoals hij zelf zei “door zijn oom, die voorzitter van de Dordtse afdeling was, met de paplepel opgediend”.
        “Tot op het laatst heeft Rob zich ingezet voor onze partij. Niet te beroerd om een kritisch geluid te laten horen, want Rob had een mening en was daar soms koppig volhardend in. “Solidariteit, rekening houden met elkaar en staan voor vrijheid en rechtsbescherming, daar ben je sociaal-democraat voor”, vertelde hij mij toen hij zich wederom kandidaat stelde voor onze lijst bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen.
        “Met zijn belangstelling voor en kennis over literatuur, de Franse cultuur en de Nederlandse taal heeft hij ons voor menige ‘taalfout’ behoed. Ook ons laatste verkiezingsprogramma kon niet zonder correcties van Rob gepubliceerd worden. Dat was de leraar in hem. Hij kon er boeiend over vertellen en dat deed hij graag en met overtuiging. “Als je geen oog hebt voor het verleden, zie je de gevaren in het heden en de toekomst niet.” Een boodschap die hij graag meegaf aan de jonge generatie (het liefst onder het genot van een glas rode wijn).
        “In de periode van 2002 tot 2006 heeft hij deel uitgemaakt van de fractie van de PvdA in de gemeenteraad.
        “We zijn Rob veel dank verschuldigd en we zullen op de ledenvergaderingen zijn inbreng missen. We wensen zijn familie veel sterkte toe in de komende tijd.”

26 november 2014 een In Memoriam aan Marijke Kooistra

Het lokale dagblad ‘AD/De Dordtenaar’ wijdde op 26 november 2014 een In Memoriam aan Marijke Kooistra.
Zij was overleden op 4 april van dat jaar.
Foto AD/De Dordtenaar

Emigratie
Die familie bestond, het is eerder al opgemerkt, uit zijn vrouw Mary Kooistra en hun vier kinderen. Mary is op 4 april 2014 op 80-jarige overleden. Het lokale dagblad AD/De Dordtenaar publiceerde naderhand, op 26 november van dat jaar, een necrologie over haar, die hiernaast staat afgebeeld.
        Van de vier kinderen Hamburger woont er nog één in Dordrecht, Barbara, haar ongenoemd blijvende zus huist in Haren. Zoon Erik is geëmigreerd naar Nainamo in Canada, zoon Bernard naar Portland in de VS.


De scherpe standpunten
van Rob Hamburger

Het is in de voorgaande artikelen over Rob Hamburger al opgemerkt: hij huldigde scherpe standpunten, die hij onomfloerst uitte. In dit kader worden daarvan enkele voorbeelden gegeven. Behalve dat ze illustratief zijn, tekenen ze hem ook als persoon.

Nooit
In 2022 zond de lokale omroep RTV Dordrecht de serie ‘75 jaar Vrijheid’ uit. Daarin vertelden negen Dordtenaren die tijdens de oorlog jong waren, over hun herinneringen. Eén van hen was Rob Hamburger, die uitlegde waarom hij nooit naar de Dodenherdenking op 4 mei gaat, bij het oorlogsmonument op het Sumatraplein.
        Hij zegt: “Als ik naar die mensen kijk, die heel serieus staan te herdenken hoe verschrikkelijk het allemaal is geweest, dan denk ik: “Bij de meeste mensen die hier staan te betuigen hoe erg die Tweede Wereldoorlog is geweest, had ik niet hoeven aan te kloppen om bij onder te duiken.”
        “Ik vond het een beetje cynisch”, vervolgt Hamburger, “maar ik kan me voorstellen dat je tot die conclusie komt. Ik vind het bijna toeëigenen van leed, dat van een ander is. Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen, maar ik wil er zelf niet aan meedoen.”

Joden
In diezelfde serie kwam Joop van Helden aan het woord, die pas na de oorlog hoorde wat er met zijn joodse vriendje Robert Weisz was gebeurd, een zoon van de bekende DFC-trainer Árpád Weisz. Het complete gezin is vermoord in Auschwitz. In de serie zeggen “bijna alle mensen”, schrijft redactrice Marjolein Vos, “dat zij tijdens de oorlog niet doorhadden wat er precies met de joden gebeurde”.
        Hamburger zegt dat hij daar niet bij kan. “Ik wist toen ik 10 jaar was bliksemsgoed dat er verschrikkelijke dingen met je konden gebeuren. Dus als mensen nu tegen mij zeggen, dat wisten we niet, dan is dat op z’n minst niet zo geloofwaardig.”
        Hij vervolgt: “Je kreeg te horen dat mensen werden opgeroepen voor werkkampen. Dat waren voor een groot gedeelte Joden en die kwamen gewoon niet terug. Ook een heleboel van de Joodse kennissen die mijn ouders hadden, dachten: het is helemaal niet zo erg, van werken ga je niet dood. Heel veel mensen hebben zo gereageerd. Ik denk dat een heleboel Joden dat geloofden: ‘Laten we dan maar gaan, het zal wel bij werken blijven.’ Dat is wat Freud Wünscherfüllung noemt: we geloofden erin dat het wel goed zou aflopen, geloven tegen beter weten in.”

Onderduiken
Onderduiken− dat was ook zo’n onderwerp waarover de voormalige onderduiker Hamburger een ferme mening had, anders dan de gangbare. In zijn manuscript gaat hij er in een lang terzijde op in. Hij wil duidelijk even iets rechtzetten over dit fenomeen.
        Hamburger stelt dat het boek van Anne Frank, het Achterhuis, “ervoor heeft gezorgd dat de meeste mensen geen flauw idee hebben van onderduiken”. “In dat achterhuis was sprake van een intact gebleven gezin, min of meer in de eigen omgeving, dat eigenlijk alleen maar in zeer ongebruikelijke omstandigheden en onder de dreiging van een onzekere, maar rampzalige afloop, op het einde van de oorlogsellende hoefde te wachten. Verzorgd door bekende en vertrouwde personen en zonder daar voor te hoeven reizen, en ergens in een volslagen vreemde omgeving terecht te komen.”
        In werkelijkheid was onderduiken “in de meeste gevallen”, óók voor hem, “een kwestie van afgezonderd worden van je eigen omgeving, je huis, je familie, je vrienden en je vrijheid om te gaan en staan waar je wilde. Het betekende dat je als onderduiker, ook als je nog maar 10 of 11 jaar was, je altijd maar moest denken aan dat ‘opgehaald’ worden, middenin de nacht, bonkende slagen op de voordeur, grote mannen in zwarte of groene uniformen, en dan, ja wat dan, dát wist je niet, dát had je alleen maar als gerucht, als fluisterende dreiging gehoord.”

Brief
Nog enkele maanden voor zijn dood plaatste Hamburger in een ingezonden brief, in de NRC van 28 maart 2022, andermaal kanttekeningen bij het onderduikdrama van Anne Frank. Aanleiding waren de zogenaamde bevindingen van een coldcaseteam over het verraad van de familie Frank − bevindingen die weerlegd zijn, een publicitaire flater.
        Hamburger reageert aldus: “Ik heb zelf die onderduikperiode als beginnende tiener mee moeten maken, maar als ik me iets van die tijd heel duidelijk kan herinneren, was dat de principiële eis om onzichtbaar te worden en te blijven. Dat het met de familie Frank, zoals met zo velen, jammerlijk is misgegaan, had te maken met een vaak incidenteel gebrek aan onzichtbaarheid. Het was niet het doelbewuste verraad, maar het toevallige, onbedoelde, nét even uit die noodzakelijke onzichtbaarheid boven het oppervlak opduiken, waardoor dat onderduiken op het ultieme fiasco is uitgelopen. Geen verraad, maar kletspraatjes in de buurt.”
        Het coldcaseteam ontbrak het volgens Hamburger simpelweg “aan de noodzakelijke, feitelijke detailkennis” van het onderduiken. Vandaar de flater.

Steentjes
En dan nog de Stolpersteine, de herdenkingssteentjes voor gedeporteerde en vermoorde joden. Toen de Dordtse werkgroep in april 2013 plannen bekendmaakte om er een te leggen bij het voormalige huis van zijn doodgeschoten oom mr. Emanuel Hamburger, aan de Singel op nummer 42 (nu: 56-58), betoonde Rob Hamburger zich onmiddellijk een fel tegenstander. Hij was de eerste en is in Dordrecht, achteraf gezien, ook de enige gebleven.
        In een e-mail aan de werkgroep greep Hamburger meteen in. Hij deelde mee per se, en in geen enkel opzicht, mee te zullen en willen werken aan een Stolperstein voor zijn oom.
        Dat was geen punt voor de werkgroep, die gewoon rekening houdt met de wensen en gevoelens van nabestaanden. Als familieleden geen steentje willen, komt dat er ook niet.
        Maar wat heeft Hamburger, de enige in Dordt die protesteerde, er nu eigenlijk op tegen? Hem toch interviewend in 2017, zie Aflevering 1, wordt hem om uitleg gevraagd.
        “Mij staan ze tegen om principiële redenen, en ik vind dat die overtuigend zijn”, zet hij uiteen. “Ik vind Stolpersteine een afschuwelijke actie. Ik zie helemaal niets in het oprichten van een door gewone burgers onbegrepen ‘monument’ − ter meerdere glorie, en mogelijk morele postume excuses, van een paar goedwillende Dordtenaren. Na globaal zeven decennia is het een beetje laat, denk ik.
        “Laten we erkennen dat de Dordtse gemeenschap het al die tijd schromelijk heeft laten liggen. Het is niet anders. Als je kijkt naar wat de Dordtse samenleving na de oorlog niet heeft gedaan om de joodse gemeenschap een gezicht te geven. Het joodse leven is gewoon weggehaald, zonder een spoor na te laten. Waar waren de Dordtenaren − waar waren jullie? − toen B&W de sloopvergunning afgaven voor de synagoge? Die Stolpersteine: het is te laat, het is te weinig en ze zijn letterlijk misplaatst.”

***

In eerste instantie meende de redacteur die hem kwam interviewen, dat Hamburger hem dan ook niet zou willen ontvangen. De redacteur vertegenwoordigde immers een kwaadwillende werkgroep. Maar dat was een misverstand, e-mailde Hamburger. “Dat Stolpersteine mij om principiële redenen tegenstaan, verhindert me niet om om te gaan met mensen die daar anders over denken. U bent hier altijd van harte welkom.”
        Hij bleek inderdaad een beminnelijk gastheer.






< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'