Het voorbije joodse dordrecht

Linda Trijbetz heeft haar
grootouders nooit gekend

Het leven van Linda Trijbetz kent een groot gemis: zij heeft haar grootouders niet gekend – noch die van moederszijde, noch die van vaderszijde. Van haar grootouders van moederszijde weet ze zelfs niet hoe zij eruit hebben gezien.
        Linda is enerzijds de kleindochter van David Trijbetz en Rachel Gokkes, anderzijds van Soesman Halverstad en Lena van Dam. Deze beide opa’s en oma’s zijn allen vermoord, in Sobibor, in 1943.
        En het heeft weinig gescheeld of Linda, geboren in Eindhoven in 1952 en Dordtse sinds 1981, was er zelf ook niet geweest, net zomin als haar jongere zus Ellen (1954). Haar ouders, Adolf Abraham Trijbetz en Wilma Halverstad, zijn namelijk ternauwernood aan de jodenvervolging ontsnapt.
        Al even merkwaardig aan het leven van Linda is dat zij lang niet eens heeft geweten dat zij joods is. Zij kwam daar pas op haar tiende achter.
        Ir. L. Trijbetz, in bouwkunde afgestudeerd aan de Technische Universiteit Eindhoven, woont sinds 1981 in Dordrecht. Tot haar pensionering was zij in dienst bij de Gemeente Dordrecht als beleidsmedewerker. In dit verhaal, deels bestaand uit een interview, vertelt zij hoezeer de Holocaust haar en haar ouders heeft beïnvloed.

Familie van Linda Trijbetz zoals die tegenwoordig is

Linda’s familie zoals die tegenwoordig is. Linda is de tweede persoon vooraan, hurkend en met zonnebril.
Direct achter haar staat in rode jas haar partner Marijke. Naast Marijke staat, met bril, Linda’s zus Ellen.
Foto Privébezit

Adolf Abraham (Dolf) Trijbetz

Dit is Linda’s vader Adolf Abraham (‘Dolf’) Trijbetz.
Foto Privébezit

Switchen
Eerst enkele kale feiten.
        Linda is op 31 maart 1952 geboren in Eindhoven, als dochter van Adolf Abraham (‘Dolf’) Trijbetz en Wilma Halverstad. Haar vader, elektrotechnicus (ing.) van beroep, is geboren in Amsterdam op 21 juni 1914 en overleden in het Noord-Brabantse Son op 23 januari 1995, op 80-jarige leeftijd. Haar moeder, op het moment dat zij werd opgepakt bontwerkster van beroep, is geboren op 13 januari 1925 in Eindhoven en stierf daar als 86-jarige op 30 november 2011. Het echtpaar trouwde in deze stad, op 8 maart 1946. Hij was toen al 31, zij pas 21.
        Linda heeft één zus, Ellen, in Eindhoven geboren op 8 februari 1954. Zij is gehuwd met Hans van Leeuwen en heeft met hem twee kinderen gekregen: Xander David en Yorian Benjamin.
        Zelf is Linda ook getrouwd geweest, van 4 april 1975 tot 1 december 1985. Tegenwoordig, en dat al tientallen jaren, is Marijke Raaijmakers de partner van Linda.
        Nadat zij het Lorentz Lyceum in Eindhoven op haar 18de had afgerond, ging Linda aanvankelijk scheikunde studeren. Na anderhalf jaar switchte zij naar bouwkunde.
        Tot zover dit feitenrelaas.

Rachel Gokkes en David Trijbetz

De grootouders die Linda nooit heeft gekend: Rachel Gokkes en David Trijbetz.
Foto Privébezit

Tugelaweg in Amsterdam

De Tugelaweg in Amsterdam, tonend de nummers 43-45, was een van de adressen waar David en Rachel hebben gewoond.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Oorlogsleed
Nu de verschrikkingen van de Holocaust.
        Hoewel Linda een naoorlogs kind is, heeft niettemin het oorlogsleed dat haar familie is aangedaan, ook háár geraakt. Zij heeft zich daarover kort laten interviewen, in nummer 4 van december 2020, voor Impact Magazine, het kwartaaltijdschrift van het ARC Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld, een nationaal psychotraumacentrum. En daarna, in het voorjaar van 2025, is zij langduriger ondervraagd door de journalist van deze Stolpersteine-website. Beide interviews worden hier verderop weergegeven.
        Wat is het leed dat de familie Trijbetz overkwam? − en dat Linda een plek heeft willen geven door vier stenen te adopteren van het Nationaal Holocaust Namenmonument in Amsterdam. Stenen die zij overigens beschouwt als grafstenen, “want een echt graf is er niet”.
        De ouders van haar vader, de grootouders die zij nooit heeft gekend, waren David Trijbetz en Rachel Gokkes. Hij is geboren in Alkmaar op 15 oktober 1885, zij in Amsterdam op 29 juli 1878. Zij trouwden in Zaandam op 7 juni 1911, toen hij 25 jaar oud was en zij 31. Op hun gezinskaart in het Amsterdamse Stadsarchief staat dat zij in Amsterdam vanaf 16 december 1910 op diverse adressen zijn gaan wonen, voordat zij op 8 januari 1935 verhuisden naar Rijnstraat 193 II. Vervolgens vertrokken ze op 2 december 1942 naar Tugelaweg, nummer 45 I.
        Drie kinderen had het echtpaar intussen gekregen, allen in Amsterdam: Joseph (‘Jo’, 9 maart 1913), Adolf Abraham (‘Dolf’, 21 juni 1914) en Arnold (‘Nol’, 24 mei 1922). David was pianohandelaar, zijn vrouw had geen beroep.

Jo en Arnold Trijbetz

De broers van Linda’s vader, Jo en Arnold, zijn vermoord in respectievelijk Auschwitz en Sobibor.
Foto’s Privébezit

Amsterdamse politierapport vermeldt David Trijbetz

In dit Amsterdamse politierapport wordt vermeld dat David Trijbetz is komen meedelen
dat een bij hem inwonende jodin spoorloos is sinds 2 september 1942.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Politierapport
Vader David en moeder Rachel zijn tegelijk vermoord, in Sobibor, op 4 juni 1943. Hij is 57 geworden, zij 64.
        Twee van hun kinderen werden eveneens omgebracht door de nazi’s. Joseph, de eerstgeborene en werkzaam als pedicure, eindigde op 30 september 1942 als 29-jarige in Auschwitz. Hij was verloofd met Willy van Duikeren, een niet-joods meisje. Linda: “Veel spullen zijn bij haar en haar familie verstopt geweest.”
        Josephs jongste broer Arnold, getrouwd met Esther Springer en textielverkoper van beroep, werd vermoord in Sobibor, op 26 maart 1943, 20 jaar oud. Esther, geboren in Amsterdam op 7 februari 1924 en arbeidend als leerling-verkoopster, eindigde daar tegelijk met hem. Zij was toen 19 jaar oud.
        Nu was alleen kind nummer 2 nog over: Adolf Abraham, de toekomstige vader van Linda en Ellen.
        Over hun grootvader David is in gedigitaliseerde rapporten van de Amsterdamse politie een melding te vinden, gedateerd maandag 7 september 1942. Daarin staat dat hij, “56 jr. won. Rijnstraat 193II alhier”, heeft meegedeeld dat de bij hem inwonende jodin Rachel Stuiver, “oud plusminus 30 jaar, sinds 2 september 1942 spoorloos is”, met andere woorden: ondergedoken dus. Vermoedelijk is dit de Rachel die op 5 maart 1909 in Amsterdam is geboren en die op 13 juli 1992 in Hilversum is overleden, op 83-jarige leeftijd.

Amsterdamse gezinskaart van David en Rachel

De gezinskaart van David en Rachel, met op de achterzijde de namen van hun drie kinderen.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Amsterdamse archiefkaart van Wilma Halverstad

De Amsterdamse archiefkaart van Wilma Halverstad, de moeder van Linda.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Huwelijksakte
De ouders van Linda’s en Ellen’s moeder Wilma Halverstad, hun andere grootouders, waren Soesman Halverstad en Lena van Dam.
        Magazijnknecht Soesman is geboren in Amsterdam op 24 mei 1887, Lena in Eindhoven op 13 november 1893. Zij trouwden op 6 juni 1918 in Amsterdam, toen hij 31 was en zij 24. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Willem (‘Wim’), geboren in Amsterdam op 14 juni 1919, en Wilma (Amsterdam,13 januari 1925). Willem is voor de oorlog overleden, op 19 september 1935 in Amsterdam, nog geen 16 jaar oud. Zijn zus Wilma werd volgens haar persoonskaart in het Amsterdamse Stadsarchief een bontwerkster.
        Toen Wilma op 8 maart 1946 in Eindhoven als 21-jarige trouwde met de 31-jarige Adolf Abraham Trijbetz liet de ambtenaar van de burgerlijke stand in de huwelijksakte noteren dat Adolf in New York woonde en dat “het bestaan of verblijf” van zijn ouders David en Rachel “onbekend” is: kennelijk was hun droeve lot in Sobibor zo kort na de oorlog nog ongewis. Daardoor moesten bruid en bruidegom “in de onmogelijkheid worden geacht hun wil [die van de schoonouders, red.] ten opzichte van dit huwelijk te verklaren”.
        In plaats van hen trad daarom als “bijzonder gevolgmachtigde” de 64-jarige fabrikant Abraham van Dam op, die woonde te Amsterdam, maar die ondergedoken zat in Eindhoven. Als getuigen waren aanwezig de 62-jarige oom van de bruid, Abraham Halverstad uit Eindhoven, en een neef van de bruid, Siegmond Salomon van Dam, een 33-jarige fabrikant die ook in Eindhoven woonde.

huwelijksakte van Wilma Halverstad en Adolf Abraham Trijbetz

De huwelijksakte van Wilma Halverstad en Adolf Abraham Trijbetz, gedateerd op 8 maart 1946. De bruidegom,
die zich in New York bevond, liet zich vertegenwoordigen door bijzonder gevolmachtigde Abraham van Dam.
Foto Regionaal Historisch Centrum Eindhoven

Niet weggepoetst
In het Impact Magazine heeft Linda geschetst waarom zij in het Holocaust Namenmonument de vier bakstenen voor haar vier grootouders heeft geadopteerd, samen met haar zus Ellen. Na afloop kregen zij als bewijs een certificaat.
        “Voor mij”, vertelt zij, “is dit (de stenen, red.) een vervanging van een grafsteen. Mijn grootouders hebben geen graf. Er is geen plaats waar je hen zou kunnen herdenken. Met dit monument is die plek er wel. (…) Erkenning vind ik een ingewikkeld woord. Ik ben blij dat dit monument er eindelijk komt, maar het is rijkelijk laat. Dat past wel bij hoe Joodse mensen in Nederland behandeld zijn. Ik heb van mijn ouders begrepen dat de kilte waarmee zij na de oorlog werden opgevangen, enorm was.”
        “Dit monument”, vervolgde zij, “betekent veel voor mij, het is een goede herdenkingsplek. Ik vind het mooi dat de namen op alfabet bij elkaar staan. Dan is in één klap zichtbaar dat mijn twee families bijna geheel zijn weggevaagd. Van de familie Trijbetz en de familie Halverstad is vrijwel niemand meer over. Slechts enkelingen, zoals mijn ouders, hebben het overleefd en zijn teruggekomen.
        “Het monument is niet alleen een vorm van erkenning, maar ook (van) genoegdoening en gerechtigheid. In Nederland moet alles met geweld overwonnen worden. Als je naar Berlijn gaat, word je overspoeld door monumenten. Daar doen ze niet zo moeilijk over herdenken en een plek geven aan leed. Hier wel. Dat heeft met de Nederlandse aard te maken. In Nederland heeft men zijn best gedaan om het (de Holocaust) zo snel mogelijk te vergeten en achter zich te laten. Het zwijgen over dit onderwerp zit zo ingebakken.
        “Dit monument laat zien dat we ervan weten. Dat het niet weggepoetst kan worden. Dat het grote vergeten niet gaat gebeuren. Laat het monument maar groot zijn, want het wás ook groot.”

Arolson Archiveskaart van David en Wilma heeft in Kamp Vught gevangen gezeten

De persoonskaart van David uit het nazi-archief in Bad Arolson.
Wilma heeft in Kamp Vught gevangen gezeten, zoals deze kaart rechts toont.
Foto's Arolson Archives

Arolson Archiveskaart van Wilma

Persoonskaart die verband houdt met Wilma, voor- en achterzijde.
Foto's Arolson Archives

Dolf Trijbetz, de vader van Linda, is op 3 juni 1944 naar Kamp Vught getransporteerd

Dolf Trijbetz, de vader van Linda, is op 3 juni 1944
naar Kamp Vught getransporteerd.
Daar ontmoette hij zijn latere vrouw Wilma.
Foto Arolsen-archief

Interview
Aan de redactie van deze Stolpersteine-website heeft Linda ook een interview gegeven. Daar was niet veel overredingskracht voor nodig: Linda en de journalist wonen in dezelfde straat, ze kennen elkaar. Vanzelfsprekend kwam het Namenmonument ter sprake. Ze vertelt dat zij er nog altijd “af en toe” heen gaat, “en dan leg ik bij hun steen een steentje” – een joods gebruik. “Ik beschouw het Namenmonument als hun graf.”
        Haar ouders spraken niet over de oorlog, zegt ze. “Ik denk omdat het te pijnlijk was. Als kind stel je vragen, maar je voelt het ook als het niet gepast is om vragen te stellen.”

Hoe is er in jullie gezin omgegaan met de wetenschap van al die omgebrachte familieleden? “Niet. Het speelde geen rol. In die zin dat ik niet joods ben opgevoed. Ik ben er pas op m’n tiende achter gekomen dat ik joods ben. Toen zijn we met het gezin een maand in Israël geweest. Ik dacht dat dit een gewone vakantie was, maar dat was ’t niet. We zijn er met een tante heengegaan – niet een echte tante, want ik heb geen tantes. Het was een kampvriendin van mijn moeder. Ze hebben samen in diverse kampen gezeten [bijvoorbeeld in Kamp Westerbork in Barak 70, van 20.6.1943 tot 18.4.1944, red.]. Dat is het kenmerk van de Philipsgroep: ze kenden elkaar, omdat alle joden uit Amsterdam en andere plaatsen bij elkaar moesten wonen.”
        Linda licht terzijde eerst toe wat de Philipsgroep inhield. “Mijn vader Dolf Trijbetz werkte voor de oorlog bij Philips. Ergens in de oorlog moesten alle joodse werknemers zich melden. Ze werden naar Kamp Vught gebracht. Ze bléven daar de zogeheten Philips-werknemers, ze werkten er ook voor Philips en kregen er ook eten van Philips, de Philiprak. Voor zover ik weet hadden de Duitsers namelijk een contract met Philips dat de Philips-mensen bleven werken voor Philips in de kampen. Als tegenprestatie hoefden zij niet naar ’t oosten. Dat is mijn vader z’n verhaal.”

Apart
Ze vervolgt: “Mijn moeder Wilma zat in Amsterdam. Zij woonde aan de Tugelaweg, op nummer 56. Mijn familie van mijn vader kwam in die straat terecht op nummer 45; hijzelf woonde in Eindhoven. Zij kende de familie van mijn vader en op de een of andere manier heeft zij het met die kampvriendin voor elkaar gekregen dat ze in de Philipsgroep konden komen. Ze móesten erin zien te komen, want dan was je veilig. Dat is gelukt en zo kwam ze in Kamp Vught terecht en daar heeft ze mijn vader ontmoet en is er een relatie ontstaan − bij heel veel mensen trouwens.”
        De Duitsers hebben zich niet aan hun afspraak gehouden: ze gingen toch naar het ‘Oosten’. “De Philipsgroep is als aparte groep op transport gezet naar Auschwitz en ook daar werden ze als Philipsgroep apart gehouden. Mijn moeder zei: ‘Ik kwam de trein uit en daar zeiden ze: Ah, daar is de Philipsgroep.’ Aan het eind van de oorlog, toen de Duitsers doorkregen dat ze ’t niet zouden redden, zijn ze met de vrouwen van de Philipsgroep gaan slepen naar allerlei andere kampen, onder andere in Dresden. Mijn moeder heeft op appèl gestaan tijdens het bombardement op Dresden [door de geallieerden in de nacht van 13 op 14 februari 19145, red.]. Dat bombardement heeft ze meegemaakt.
        “En nou komt ’t: die groep vrouwen is opgekocht door een Zweedse graaf en die heeft ze meegenomen maar Zweden. Dus mijn moeder heeft het einde van de oorlog in Zweden meegemaakt. De groep is daar gebleven totdat iedereen voldoende aangesterkt was om naar huis te kunnen. Ik weet niet wanneer dat was; ergens in de loop van 1945.”

vader van Linda en Ellen is overleden op 80-jarige leeftijd, op 23 januari 1995

De vader van Linda en Ellen is overleden op 80-jarige leeftijd,
op 23 januari 1995, zoals deze advertentie uit ‘De Volkskrant’
van de 25ste laat zien.
Foto Archief De Volkskrant

Geen antwoord
Terug naar het oorlogsleed van de familie. Linda wist aanvankelijk niet dat haar grootouders waren vermoord, zegt ze. “Die wetenschap was mij niet bekend. Ze waren niet ‘teruggekomen’, zo werd gezegd. Ik wist dat mijn grootvaders Soesman en David heetten, mijn grootmoeders Lena en Chellie (= Rachel) en dat mijn moeder een broer had die Wim heette. Die is voor de oorlog overleden aan kanker. En mijn vader had twee broers, Jozef (‘Jo’) en Arnold (‘Nol’). Dat is wat ik wist, verder niks. Geleidelijk aan in je leven valt er wel eens een naam en dan vraag je wie dat zijn. Maar soms kreeg je gewoon geen antwoord.”

Wanneer werd jou de volle omvang van alle familieleed duidelijk? “Dat is een hele moeilijke vraag. Die kan ik eigenlijk niet beantwoorden. Ik zelf niet en mijn ouders ook niet. Stap voor stap wordt jou in je leven iets duidelijk. Toen ik bijvoorbeeld terugkwam uit Israël, heb ik er heel veel over gelezen en daar kwam het begrip joden en de joodse staat naar boven. Ik vroeg aan mijn moeder: ‘Er staat hier iets over joden, wat zijn dat?’ Zij lag in bed, bijna altijd. Ze was, denk ik, getraumatiseerd. Ze is haar hele leven onder psychiatrische behandeling geweest. Ze lag heel veel in bed, wij noemden dat: ze is psychisch ziek. Ik vroeg mijn moeder: ‘Wat zijn joden?’ Ze zei letterlijk: ‘Kind, dat ben je zelf ook.’ En toen wist ik nog niets.
        “Ik ben gaan uitzoeken wat dat was. ’t Was ingewikkeld: het is geen eenduidig begrip. Feitelijk doe je daar je hele leven over om er achter te komen. Ik wist wel dat ’t bij ons anders was dan bij andere vriendjes en vriendinnetjes. Ze aten daar anders en ze hadden opa’s en oma’s, wij niet. Wij hadden ook geen ooms en tantes. En het bijzondere bij ons was óók dat mijn moeder altijd ziek was.
        “Mijn ouders hadden wel vrienden; dat waren zogenaamd de ooms en tantes. De tante met wie ik in Israël ben geweest bijvoorbeeld, was zo’n tante. Ik heb het ontbreken van ooms en tantes overigens niet als een gemis ervaren. ’t Was voor mij normaal. Voor een kind is de manier waarop je opgroeit immers de normaliteit. Pas als je het vergelijkt, vallen de verschillen pas op.”

Handschoen
Toen Linda’s moeder Wilma na de oorlog terugkeerde in Nederland, wilde zij niet terug naar Amsterdam. “In Amsterdam was niet veel meer. Hun huis was er ook niet meer; daar woonden andere mensen. Mijn moeder is toen een jaar bij een oom in Eindhoven gaan wonen. Mijn vader was in de tussentijd ook weer terug in Eindhoven beland. Hij is in Auschwitz bevrijd door de Russen en ging naar Eindhoven, waar een nicht van hem woonde. Dat hij is bevrijd door de Russen, weet ik doordat hij wel eens anekdotes erover vertelde, nooit nare anekdotes overigens.
        “Mijn vader was nog steeds werknemer van Philips, dus hij moest terug naar Philips. Hoe hij van Auschwitz naar Eindhoven heeft kunnen komen, heb ik niet kunnen uitpuzzelen. Hij heeft het mij ook nooit verteld. Door Philips kon hij zich vervolgens laten uitzenden naar de VS, in 1945. Zelf wilde hij niet in Nederland blijven. Want in Nederland was voor hem helemaal niets meer, alles was dood en hun huis kregen ze ook niet meer. Ze waren er niet welkom en hun spullen werden ook niet teruggegeven.
        “Mijn vader is in de VS met de handschoen met mijn moeder getrouwd, op afstand dus. Mijn moeder is vervolgens op 17 december 1945 ook geëmigreerd naar de VS, naar New York. Ze zijn er zes jaar gebleven, voor zover ik weet. In Amerika bleek mijn vader onvruchtbaar. Dat heeft zich blijkbaar hersteld, want later werd mijn moeder alsnog zwanger. Trouwens: ik heb mijn vader eens gevraagd: ‘Heb je honger geleden in de oorlog?’ Nee, maar hij was als gevolg van de ontberingen wel onvruchtbaar geworden, zei hij. Dit klopt dus niet. Want als je doorvroeg, had hij weer geen ontberingen geleden. Raar verhaal.”
        Om geëmigreerd te kunnen blijven, moesten Dolf Trijbetz en zijn echtgenote Wilma terug reizen naar Nederland, zodat ze dat konden regelen: emigratie moest vanuit Nederland geregeld worden. Linda: “Dat hebben ze ook gedaan. Maar toen bleek mijn moeder zwanger – van mij. En toen zijn ze maar in Nederland gebleven.”

***

De laatste vraag is of Linda inmiddels al eens in Sobibor is geweest, in dat kamp waar al haar grootouders zijn vermoord.
“Nee”, zegt ze beslist. “En ik ga er ook niet naar toe. Ook in Kamp Westerbork of Kamp Vught ben ik nog nooit geweest. Vught ben ik al heel lang van plan, maar het is er nog niet van gekomen. Iets in mij blokkeert dat.”

het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam

In het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam
zijn meerdere bakstenen te vinden met de namen van de families Trijbetz en Halverstad.
Foto’s Privébezit

het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam met de namen van de families Trijbetz en Halverstad

het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam met de namen van de families Trijbetz en Halverstad

het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam met de namen van de families Trijbetz en Halverstad

het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam met de namen van de families Trijbetz en Halverstad





< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'