Het voorbije joodse dordrecht

Elisabeth Katan-Cohen en het
raadsel van haar overlijden
* Echtpaar wacht de komst van de Duitsers niet af
* Doosje van Dordtse Marcus Katan ‘ontdekt’ in collectie joods museum

overlijdensaktes van Elisabeth Katan-Cohen

Het raadsel: hoe kan iemand op twee plekken overlijden?
De overlijdensakte uit het Gronings archief stelt dat Elisabeth Katan-Cohen “in de gemeente” is overleden,
op 9 oktober, om tien uur, nul minuten. Maar op de Joodse-Raadkaart van dezelfde Elisabeth staat
dat zij in Westerbork is overleden op 9.10.43, althans volgens het bevolkingsregister van Westerbork.
Foto’s  Groninger Archieven en Arolsen Archives

Met Elisabeth Katan-Cohen, een geboren Dordtse, is iets merkwaardigs gebeurd
        Zij blijkt op twee verschillende locaties te zijn overleden, in Groningen én in Kamp Westerbork, plekken die toch al gauw zo’n 55 km uit elkaar liggen. Er is een overlijdensakte van Elisabeth, te vinden via de website ‘WiewasWie’, en die stelt dat zij in Groningen is gestorven, “op den negenden Oktober dezes jares, te tien uur, nul minuten”. De aangifte is gedaan, tegenover de Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der gemeente Groningen”, door Ritse Willem Meijwes, oud 39 jaren, een kantoorbediende, wonende te Groningen. Wie deze Meijwes is, in welk verband hij tot Elisabeth staat en waar in de stad zij dan is heengegaan, wordt allemaal niet vermeld.
        Maar er is ook een Joodse-Raadkaart van Elisabeth, waarop meerdere notities staan, waaruit dit valt op te maken: “vlg. Bev. Reg. Wbk” (het bevolkingsregister van Westerbork) is zij overleden op 9.10.’43, gecremeerd op 13.10.’43 en haar as is in “urn 418” gedaan, waarna zij op de joodse begraafplaats in Diemen is begraven in veld U, rij 13, graf nr. 2.
        Ook volgens de gezaghebbende website ‘Joods Monument’, hét online monument voor de meer dan 104.000 joden die in Nederland werden vervolgd en die de Holocaust niet hebben overleefden, is Elisabeth overleden in Westerbork, 66 jaar oud, op diezelfde 9de oktober 1943. Maar verderop staat een correctie, die al op 27 juni 2011 is geplaatst door een bezoeker: dat Elisabeth is overleden te Groningen.
        Hoe kan dit, sterven op twee locaties? Is Elisabeth misschien na haar overlijden in Groningen teruggebracht naar Westerbork, waar zij immers acht maanden eerder, op 27 februari 1943, is opgesloten? Betekent de notitie “27-2-43; ZKH” dat zij in Westerbork in een ziekenhuis is opgenomen en dat zij vervolgens is doorgestuurd naar Groningen? Maar waarom dan niet naar het nabijgelegen Assen?
        Dit raadsel kan vooralsnog niet worden opgelost. Zeker is in ieder geval dat er in Westerbork een ziekenhuis heeft bestaan. Het was “bepaald geen kleintje”, schreef het Reformatorisch Dagblad in een achtergrondartikel daarover op 30 juni 2006, en er werkten “ook nog de beste Joodse specialisten van die tijd”.
        Wie was Elisabeth Katan-Cohen verder? Wie waren de familieleden die haar omringden? In dit verhaal wordt dit beschreven.

Martijn Katan hield op 16 juni 2022 een toespraak vlak bij de plek waar Israël en Elisabeth Katan voor de oorlog

Martijn Katan hield op 16 juni 2022 een toespraak vlak bij de plek waar Israël en Elisabeth Katan voor de oorlog
hebben gewoond, samen met Elisabeth’s broer Salomon Cohen. Naast Katan staat zijn partner Emma Meijler.
Aan de drie steentjes die op die 16de juni in de straat werden gemetseld,
wordt later in 2022 nog een steentje toegevoegd voor Bernard van Dam.
Foto's Redactie Website

Plaatje
Op 16 juni 2022 werden in Dordrecht op de Vest, vlak achter de Hogeschool InHolland, drie Stolpersteine gelegd – voor Elisabeth Katan-Cohen, voor haar man Israël Katan en voor Elisabeth’s broer Salomon Cohen. Israël en Salomon zijn omgebracht in Auschwitz, tegelijk op 19 november 1943. Elisabeth’s leven eindigde in Westerbork, op 9 oktober 1943. Het is deze overlijdensplaats die in het bronskleurige messingplaatje is geslagen, want in Westerbork ging zij immers volgens ‘Joods Monument’ dood.
        Tijdens de sobere plechtigheid op de Vest, tegenwoordig Spuiboulevard geheten, sprak dr. Martijn Katan, de emeritus hoogleraar voedingsleer die een verwant is van Israël en Elisabeth. Hij dankte in zijn toespraak de werkgroep Stolpersteine Dordrecht, dat deze hem had gevraagd iets te komen vertellen. Want anders “had ik nooit iets van ze geweten”, zei Martijn Katan. Zo vreemd was die onbekendheid ook weer niet. “De Katans”, lichtte Martijn Katan toe, “waren een grote familie. In de oorlog zijn er 118 omgekomen of vermoord. De jongste was drie maanden, de oudste 83 jaar.”
        Waarna hij vertelde over wat hij zoal had kunnen opdiepen over Israël Katan en Elisabeth. Hij wees de werkgroep er in dit verband op, dat zij iemand is vergeten: Bernard van Dam. Deze autochtone joodse Dordtenaar, geboren op 8 juni 1883, woonde bij de Katans in en is op dezelfde dag vermoord als Israël en Salomon. (De werkgroep heeft inmiddels voor hem ook een herdenkingssteentje besteld.)

Geboortakte Elisabeth en Israël Cohen

Uit deze twee geboorteakten blijkt dat Elisabeth Cohen de ene helft was van een tweeling. Zij werd om drie uur geboren op 7 maart 1877, een uur later verscheen haar broerje Israël, dat maar vijf maanden heeft geleefd.
Foto Regionaal Archief Dordrecht

Tweeling
Voordat wordt geciteerd uit Katans toespraak, eerst enkele inleidende gegevens over Elisabeth Cohen. Zij is een dochter van koopman Benjamin Cohen en Kaatje Cohen-Cohen. Elisabeth kwam in Dordrecht ter wereld, op 7 maart 1877 en volgens de geboorteakte “des namiddags ten drie ure”, in het huis “geteekend Letter D no. 681 van de Lange Breestraat”. Maar zij was die middag niet de enige boreling. “Ten vier ure” beviel Kaatje van nóg een baby, het jongetje Israël. Ze heeft dus een tweeling gebaard.
        Het is een wonderlijk toeval dat Elisabeth decennia later, in 1907, op slechts een paar honderd meter verwijderd van de Lange Breestraat kwam te wonen, aan die Vest, en dat haar echtgenoot eveneens Israël heette.
        Het broertje van Elisabeth heeft maar vijf maanden geleefd. Israël is overleden op 20 augustus 1877.
        Maar over Elisabeth’s ouders is nog een verbazingwekkend, zelfs bizar feit te vinden: Elisabeth en Israël waren niet hun eerste kinderen. Twee jaar eerder, op 10 november 1875, had Kaatje ook al het leven geschonken aan een tweeling, Salomon en Joseph. En ook van deze twee baby’s stierf de ene al na enkele maanden: Joseph na drie maanden op 29 februari 1876.
        Na de tweede tweeling hebben de ouders geen kinderen meer gekregen. Moeder Kaatje, geboren in Dordrecht op 29 februari 1844, is gestorven op 30 april 1926 in haar woonplaats, als 82-jarige. Kaatje was een weduwe, want haar man Benjamin (De Mijl, Krabbe en Nadort, 8 januari 1841) was al op 2 april 1918 heengegaan, in Dordrecht. Hij is 77 jaar geworden.

grafstenen van Benjamin Cohen en Kaatje Cohen

De ouders van Elisabeth, Benjamin Cohen en Kaatje Cohen, zijn begraven op de joodse begraafplaats in Dordrecht. Benjamin overleed op 2 april 1918, Kaatje op 30 april 1926.
Foto’s Website ‘Het Stenen Archief’

persoonskaart van Saartje uit het Amsterdamse Stadsarchief

Israël Katan uit Rotterdam trouwde op 31 oktober 1907 in Dordrecht met Elisabeth Cohen. Het echtpaar ging in Rotterdan wonen, in de Zomerhofstraat, op nummer 77b, zoals blijkt uit deze Rotterdamse gezinskaart, voor- en achterzijde.
Foto’s Gemeentearchief Rotterdam

Achternaam
Israël Katan, de man van Elisabeth, was geen geboren Dordtenaar. Hij is afkomstig uit Rotterdam, waar hij ter wereld kwam op 31 mei 1879. Hij was drie jaar jonger dan zijn eega, met wie hij, pakhuisknecht zijnd, trouwde in Dordrecht, op 31 oktober 1907. Elisabeth Cohen was 30, hij 27. Het kersverse paar bleef niet in de stad. Op 4 oktober 1907 ging Elisabeth bij haar man wonen, in Rotterdam, op het adres Zomerhoffplein 9b.
        “Israël”, lichtte Martijn Katan toe, “is een veel voorkomende voornaam in de familie. Het was ook mijn vaders joodse voornaam, hij werd daarmee in de synagoge aangeduid. Mijn vaders dagelijkse naam was Richard. En Richard en Israël Katan waren van dezelfde generatie. Ze waren bet-achterkleinzoon van de stamvader van de Katans, uit Maassluis.” (Zie ook in dit verband verhaal 229 op deze site.)
        “Israël kwam uit Rotterdam”, vervolgde Katan, “net als mijn ouders. Met 19 jaar werd hij gekeurd voor de dienstplicht. Daaruit weten we dat hij 1.69 meter lang was − voor die tijd gemiddeld – en dat hij zwart haar had, bruine ogen, een grote neus en mond en een spitse kin. Hij werd goedgekeurd, al weet ik niet of hij dienst heeft gedaan.”
        Deze Israël nu was het die trouwde met Elisabeth Cohen, een nicht van hem, aldus Martijn Katan, die nog meer samenhang ontdekte: “Israëls moeder Sophia Cohen was een Cohen uit Dordrecht, Elisabeths moeder Kaatje ook. Haar vader Benjamin was ook een Cohen, vandaar de achternaam Cohen.”
        Waarom trouwden Elisabeth en Israël zo laat? was een vraag die Katan opwierp in zijn toespraak. Zijn conclusie: “Om te trouwen had je geld nodig, voor een woning en meubels. Kennelijk kon het nu. Israël woonde nog in bij zijn broer in Rotterdam, maar nu gingen Ies en Beppie, zo’n soort roepnaam zullen ze hebben gehad, als man en vrouw in de Zomerhofstraat wonen” – “vijf minuten lopen” overigens, voegde Katan toe,“van waar mijn grootouders woonden.”
        “Israel was eerst pettenmaker en later pakhuisknecht. Arme mensen dus. Ze kregen geen kinderen, waarom weet ik niet. Op een gegeven moment gingen ze hier in Dordrecht wonen, aan de Vest.” Dat was volgens het Dordtse archief op 30 september 1940, in de oorlog dus. Het echtpaar betrok een (ondertussen afgebroken) woning op nummer 116, komend uit de Van der Schellingstraat 3b in Rotterdam.
        Twee mensen trokken bij het echtpaar in. De ene was Elisabeths broer Salomon, hij handelde in lompen. “Tegenwoordig zou je zeggen: hij zat in de recycling. Toen heette zo iemand een voddenjood.” De andere inwonende was een zekere Bernard van Dam.

Kaart Bernard van Dam

Kaart Bernard van Dam
Foto’s Gemeentearchief Dordrecht

Dordtse archiefkaart echtpaar Katan

Aan het begin van de oorlog, in september 1940, verhuisde het echtpaar Katan naar de Vest 116 in Dordrecht,
zoals de Dordtse archiefkaart, voor- en achterzijde, laat zien. In 1928 vertrok hij naar Rotterdam,
in 1940 keerde hij terug in Dordrecht.
Foto’s RAD

Dordtse archiefkaart Salomon Cohen

Voor Salomon Cohen was Dordt niet onbekend toen hij op de Vest introk bij zijn zus en zwager. Hij is er geboren, zoals blijkt uit deze Dordtse archiefkaart, voor- en achterzijde.
Foto’s Gemeentearchief Dordrecht

Tien kinderen
Israël en Elisabeth mogen dan geen kinderen hebben verwekt, Israël was zelf het achtste van tien kinderen. Zijn vader heette Marcus Katan (Den Haag, 9.10.1845 – Rotterdam, 19.4.1912; 66), zijn moeder Sophia Cohen (Dordrecht, 1.1.1841 – Rotterdam, 20.11.1903, 62). Dit zijn hun nakomelingen. Voor de overzichtelijkheid is tegelijk genoteerd wanneer en waar zij zijn overleden:
        1. Jacob, Dordrecht, 18 mei 1868 – Den Haag, 11 oktober 1942 (74; over hem onderaan dit verhaal in een kader meer)
        2. Bertha, Rotterdam, 13 november 1869. Huwde op 18.12.1895 in Rotterdam Azor Boekbinder (Rotterdam, 24.4.1868). Van beiden is geen overlijden(splaats) gevonden.
        3. Jozeph (Joseph), Rotterdam, 11.7.1871 – Rotterdam, 27.4.1891 (19).
        4. Josephina, Rotterdam, 10.2.1873 – Auschwitz, 26.10.1942 (69). Huwelijk op 4.2.1895 met houtdraaier Barend Harkman (Rotterdam, 19.11.1867). Twee kinderen: Philip (Rotterdam, 4.12.1896) en Marcus (Rotterdam, 10.10.1898 – Auschwitz, 30.9.1942 (43, vertegenwoordiger). Philip heeft de oorlog overleefd.
        5. Cato, Rotterdam, 2.1.1875. Cato woonde in bij haar zus Josephina en Barend Harkman, aan de Plantageweg op nummer 89b. Op 13 juni 1907 is zij naar Londen vertrokken. Geen nadere gegevens gevonden.
        6. Heintje, Rotterdam, 31.3.1877 – Rotterdam, 7.6.1878 (ene helft tweeling, 14 maanden).
        7. Samuel, andere helft tweeling, Rotterdam, 31.3.1877 – Auschwitz, 11.12.1942 (65). Huwelijk op 10.6.1903 met Rijntje Polak (Rotterdam, 21.4.1877 – Rotterdam, 11 mei 1923, 46), hertrouwd op 11.6.1924 in Rotterdam met Betje Bremer. Drie kinderen: Barend Josua (Rotterdam, 20.1.1905 – Auschwitz, 30.4.1943 (38, godsdienstleraar te Dordrecht) en Sophia (Rotterdam, 6.8.1906 – Auschwitz, 13.11.1942 36) en Marcus (geboren Rotterdam, 29.08.1909 – Rotterdam, 9.11.1909; twee maanden).
        8. Israël, Rotterdam, 31.5.1879 – Auschwitz, 19.11.1942 (63).
        9. Meijer, Rotterdam, 23.4.1881. Huwelijk op 21.10.1908 met en op 30.6.1914 gescheiden van Maria Elisabeth du Bois (Rotterdam, 18.10.1885 – Rotterdam, 9.7.1945, 59)
        10. Henriëtte, Rotterdam, 15 mei 1884 – Rotterdam, 26.6.1935 (51).

komst van koopman S. Cohen naar Dordrecht en gezin I. Katan

De rubriek ’Van komen en gaan’ in de ‘Dordrechtsche Courant’ van 4 oktober 1940 meldt
de komst van koopman S. Cohen (Salomon) naar Dordrecht, naar het adres Vest 116.
Een dag later meldt de krant dat ook I. Katan en gezin zich daar ook gaan vestigen.
Foto’s Krantenbank RAD

Rabbijn
Salomon, de broer van Elisabeth en de zwager van Israël, kende uiteraard Dordrecht toen hij introk bij de familie Katan. Hij was er immers geboren, in 1875. Met zijn ouders, Benjamin Cohen en Kaatje Cohen-Cohen, had hij in de Heer Heymansuysstraat gewoond, op nummer 52, later 54. Nadat zijn moeder was overleden op 30 april 1926 (zijn vader stierf al op 2 april 1918), kreeg hij in de burgerlijke stand een eigen kaart. Daarop valt te zien dat hijop 18 mei 1926 van de Heer Heymansuysstraat 54 is verhuisd naar het adres Gravenstraat 24 rood.
        Op 7 juni 1928 verlaat hij Dordrecht en gaat hij wonen in Rotterdam, in de Zomerhofstraat, op nummer 77, bij Israël en Elisabeth, zijn zwager en zus dus. Als dit echtpaar midden in de Tweede Wereldoorlog naar Dordrecht vertrekt, gaat Salomon mee.
        In Dordrecht woont al langer Barend Josua Katan, het kind van 1905 van Samuel en Rijntje. Barend had voor rabbijn gestudeerd in Amsterdam en had op 1 mei 1932 als zodanig zijn intrede gedaan in Dordrecht, als opvolger van Samuel Dasberg. Hij woonde met zijn vrouw Cornelia van Vriesland (Gorkum, 30.9.1906) aan de Vrieseweg op nummer 18 rood (nu: 44). De synagoge stond aan de Varkenmarkt.
        In 1934, op 20 januari, is Barend weduwnaar geworden. Zijn Cornelia was op 27-jarige leeftijd overleden, na 1 jaar huwelijk. Op 1 mei 1935 hertrouwde hij met Roza Duizend (Amsterdam, 9.7.1906) en kreeg met haar drie kinderen. Zonder twijfel zullen deze Katans kennis hebben gemaakt met de Katans van de Vest, Barend Josua is per slot van rekening een neef.
        Met het uitbreken van de oorlog is de zorgeloze tijd voorbij. Vooral onder de joden gaat in toenemende mate angst heersen, beklemming.

pand Vest 116 had in het Kadaster nummer H 2243

Het pand Vest 116 had in het Kadaster nummer H 2243. Op deze geelkleurige plattegrond is dat nummer te zien. De woning was onderdeel van een rijtje huizen dat stond tussen het badhuis met de aangrenzende gemeentelijke zwemschool en de particuliere zwemschool aan het Spui. Op het bruimkleurige kaartje is de locatie van die huizen aangegeven.
Foto’s beschikbaar gesteld door Arno de Grauw

beeld van de omgeving van de Vest

Deze foto uit het Dordtse archief geeft een beeld van de omgeving van de Vest. Rechts vooraan staat het Volksbadhuis, daarachter de gemeentelijke zwemschool, en dan is er een rijtje huizen te zien, eerst hoge, daarna lagere.
In dat rijtje stond nummer 116. Verderop is de andere zwemschool. De foto is gemaakt aan het begin van de vorige eeuw, tussen 1898 en 1902.
Foto RAD (nr. 555_12205)

J. van Dam vertrokken van de Vest 116

J. van Dam vertrokken van de Vest 116 naar het Weesperplein 1 in Amsterda.
Foto’s RAD

Arrestatie
Op woensdag 11 november 1942 gebeurt het: niet de Duitsers zelf, maar hun handlangers, Dordtse politieagenten, arresteren in opdracht van de Sicherheitspolizei de bewoners van Vest 116: hoofdbewoner Israël Katan, inwonende Bernard van Dam en Israëls zwager Salomon Cohen.
        En Elisabeth dan, Israëls vrouw? Haar naam komt niet voor op de lijsten van arrestaties. Haar Joodse-Raadkaart verklaart waarom dat zo is. Als haar adres noemt de kaart: Schietbaanlaan 42, Rotterdam. Dat is het adres van het Joodse Ziekenhuis. Elisabeth was daar dus kennelijk opgenomen.
        De ‘vangst’ van woensdag 11 november 1942 telde 27 mensen. “Dit is midden in de grote razzia van Dordrecht in de novemberdagen”, zo duidde de historicus drs. Kees Weltevrede de gebeurtenis. Als lid van het Werkgroep Stolpersteine sprak ook hij op de Vest, op die dag van de steenlegging in juni 2022. Die arrestanten worden om 08.15 uur in bewaring gesteld op het Hoofdbureau van Politie aan de Groenmarkt. Om 16.54 uur gaan zij op transport naar Amsterdam, naar de Hollandsche Schouwburg.
        Om 23.20 uur meldden de politiefunctionarissen die de joden hadden begeleid, majoor G.J. Scholten, en de agenten Wolsink, Durieuz en Schuite, dat zij weer terug zijn in Dordrecht, hun taak is volbracht. Hij rapporteert in het dagrapport: “Geen bijzonders.” Weltevrede: “Meestal was het voor de agenten een leuke dag, ze kregen extra betaald en hadden een dagje Amsterdam.”
        Vanuit Amsterdam zijn Israël, Salomon en Bernard op 12 november naar Kamp Westerbork gedeporteerd. Op 16 november vertrekt vanuit Westerbork weer een trein naar Auschwitz, met in de goederenwagons dit keer de drie Dordtenaren. Zij worden bij aankomst op 19 november tegelijk en direct vergast.

In opdracht van de Sicherheitspolizei op het H.B. in bewaring gesteld

Arrestaties in opdracht van de Sicherheitspolizei op het H.B. in bewaring gesteld.

Arolsenkaart van Salomon Cohen

Arolsenkaart van Salomon Cohen.
Foto Arolsen Archives.

Later
Elisabeth komt veel later pas in Westerbork terecht. Volgens haar persoonskaart is dat op 27 februari 1943. En dan staat er die aantekening die al is aangestipt: “27-2-43: ZKH”.
        Betekent dit dat ze meteen nadat ze is gearriveerd, in het ziekenhuis van Westerbork belandde? Maar waarom is ze vervolgens klaarblijkelijk vervoerd naar Groningen? Want in die stad is ze immers overleden op 9 oktober 1943, volgens de overlijdensakte, en niet in Westerbork?
        De ongerijmdheden in feiten ten spijt, valt aan te nemen dat zij inderdaad in het crematorium van Westerbork is verbrand, op de 13de. En haar as is nadien bijgezet in Diemen.
        Kees Weltevrede verwees in zijn toespraak nog naar een verhaal op deze Stolpersteine-website, verhaal 281. Daarin wordt ingegaan op de inventarislijsten die in opdracht van de Duitsers in heel Nederland zijn gemaakt van leeggehaalde woningen, óók die van Dordtse joden. Dat leeghalen gebeurde door de roofinstelling Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR). De administratie daarvan wordt nu, decennia later, getranscribeerd en gedigitaliseerd.
        Er zijn echter al formulieren te achterhalen, via de website Archieven.nl. En zo vond de werkgroep Stolpersteine scans die betrekking hadden op Vest 116, de woning van de Katans. Van Israël werd op 18.9.1942 geconstateerde dat hij qua bezittingen “nur Kleider” had, geen waardevolle, inpikbare spullen. Dat gold ook voor Salomon Cohen, op 18.11.1942: er waren “nur Kleider” aanwezig.

rijtje huizen aan de Vest

Dit is een rijtje huizen aan de Vest, tegenover de Nieuwe Hilstraat, maar nu decennia later, in de jaren zestig.
Op de achtergrond staat het volksbadhuis. Vermoedelijk is het pand met de witte dakrand nummer 116.
Foto RAD (nr. 554-33699)

Grafsteen Elisabeth Katan-Cohen

Grafsteen Elisabeth Katan-Cohen.
Foto Website ‘Het Stenen Archief’.

Invalide
Wat tot nu toe onbelicht is gebleven, is wiens eigendom de leeggeroofde woning aan de Vest 116 eigenlijk was?
        De eigenaar blijkt verrassenderwijs Bernard van Dam te zijn. Met andere woorden: Bernard woonde in in een pand dat gewoon zijn bezit was.
        Onderzoek in het kadaster door de Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen wees uit dat Vest 116, oftewel perceel H 2243, in 1928 is gekocht door Marianna en Bernard van Dam, zus en broer, beiden kinderen van Philip Isaac van Dam (1832-1922) en Duifje van der Heijm (1838-1910). Zij waren ieder voor de helft mede-eigenaren en Jozeph van Dam, Bernard’s broer, was vruchtgebruiker. In 1932 wordt het bezit gescheiden, alleen Bernard is dan nog de eigenaar. Dit is zonder twijfel het rechtstreekse gevolg geweest van het feit dat Marianna was overleden, op 2 september 1929, 65 jaar oud.
        In de oorlog gebeurt er nog iets opvallends: Jozeph trekt weg uit Vest 116, en gaat naar Amsterdam, naar Weesperplein 1. Hij is dan 70. Dat verklaart ook zijn verhuizing: op dat adres bevindt zich de Joodse Invalide, het tehuis voor joodse bejaarden, lichamelijk gehandicapten, blinden, doven en stommen.
        Kort nadat Jozeph zijn Dordtse woning had verlaten, trok de familie Katan erin, samen met zwager Salomon Cohen. In de Dordrechtsche Courant van 4 oktober 1940 wordt in de rubriek ‘Van komen en gaan’ eerst de komst naar Dordrecht van Salomon gemeld, de volgende dag volgen Israël Katan en zijn gezin. Dus zo is het ongeveer gegaan: Jozeph maakte plaats voor de Katannen, en daarna kwam Jozeph’s broer Bernard het gezin vergezellen. Bernard zal als eigenaar geen huurder zijn geweest.
        Twee jaar later wordt het beheer van het joodse pand overgenomen door de bezetter, op grond van de ‘Verordening betreffende het joodsche grondbezit no. 154/1941, aanteekening no. 261/1942’. In 1953 wordt Vest 116 verkocht aan conciërge Frans Schilt (Dordrecht, 16.5.1905). In 1959 verkoopt hij het weer aan ene Pleun van Lelieveld; in 1963 wordt de Gemeente Dordrecht de eigenaar.

***

En Jozeph, de oude Dordtenaar in Amsterdam. Hoe was met hem afgelopen?
        Het zal niet verbazen: hem overkwam hetzelfde barbaarse als alle andere bewoners van Vest 116: Jozeph is routinematig vermoord, op 13 maart 1943 in Sobibor. Hij is 72 geworden.
        In het pand Vest 116 zou nooit meer een jood wonen.

Echtpaar wacht de komst van de Duitsers niet af

Dordtenaar Jacob Katan heeft in de oorlog deportatie naar een vernietigingskamp niet afgewacht. Samen met zijn vrouw Betje van Handel heeft hij op 11 oktober 1942 zelfmoord gepleegd in hun woonplaats Den Haag. Of, zoals de website ‘Joods Monument’ het omschreef: “Onder druk van de omstandigheden heeft hij een einde aan zijn leven gemaakt.” Jacob is 74 geworden, zij 76. Het echtpaar, dat op het laatst woonde in de Koningstraat op nummer 485, is begraven op de joodse begraafplaats in Rotterdam.

Ziekte
Jacob is geboren op nummer O 317 van de Riedijk in Dordrecht, op 18 mei 1868, om half een in de middag – als het eerste kind van Marcus Katan en Sophia Cohen. Op 20 juni 1894 trouwde hij, inmiddels 26 geworden en handelsreiziger van beroep, in Rotterdam met de 28-jarige Betje van Handel (Rotterdam, 5 maart 1866).
        Het echtpaar kreeg in 1895 zoon Marcus (op 20 juli), gevolgd in 1898 door tweede zoon Machiel (op 27 juli). Van de Bokelstraat 27 en de Tollensstraat 71b was de familie gaandeweg beland op de Nieuwe Binnenweg, op nummer 117b.
        Marcus verbond zich op 9 september 1920 als 25-jarige in Utrecht aan de 30-jarige Geertruida de Wilde (Rotterdam, 4.1.1890). Twee kinderen kregen zij: Betty (Utrecht, 24.7.1921) en Hans (Rotterdam, 1.8.1924). Vader Marcus is op 28 februari 1977 in Rotterdam overleden, volgens de overlijdensadvertentie in verschillende kranten “na een langdurige ziekte”, op de leeftijd van 81 jaar.
        Marcus Katan is gecremeerd in Rotterdam. Hij was weduwnaar. Zijn echtgenote Geertruida was in het jaar daarvoor heengegaan, op 24 maart 1976, op de leeftijd van 86 jaar.

Katholiek
Dochter Betty huwde Dick Weseman en ging in Enschede wonen. Van haar is geen overlijdensdatum bekend. Hans, fotograaf en docent fotografie en (sinds 26 september 1957) echtgenoot van Stan Klaphaak, is op 1 november 2006 in Eindhoven gestorven, op 82-jarige leeftijd.
        Kantoorbediende Machiel, de andere zoon van Jacob en Betje, trouwde op 16 mei 1928 in Hilligersberg met de rooms-katholieke Elizabeth Jongeneel. Hij was 29, zij 31. Na de huwelijksdag woonden zij eerst op het adres Schietbaanlaan 87b, vanaf 29 april 1935 werd het woonadres: Bergschelaan 291.
        Het echtpaar kreeg twee kinderen, die volgens de gezinskaart geen geloof hadden: Betty (Rotterdam, 25.12.1933) en Jacob (Rotterdam, 22.11.1935). Betty Katan zou later, samen met haar niet-joodse echtgenoot Rudolf Luijdjens, wonend aan de Smidsweg in Bathmen, de stamboom van de Katans maken. Dat vereiste jarenlang onderzoek in archieven, want internet bestond nog niet.
        Vader Machiel Katan heeft de Holocaust overleefd. Hij stierf volgens de overlijdensadvertentie in Het Rotterdams Parool van 26 april 1948 “geheel onverwacht” op 49-jarige leeftijd, op de 25ste april, in Rotterdam. Machiel is begraven op de Algemene Begraafplaats in Crooswijk. Zijn vrouw Elizabeth is 76 geworden, zij stierf op 27 februari 1973 in Laren.

Epidemie
In de overlijdensakte van Jacob en Betje is de zelfmoord decent geformuleerd. In plaats van dat er, zoals gewoonlijk, staat: “Overleden”, staat er: “Overleden gevonden”.
        In totaal, zo meldt de website van het Amsterdamse Stadsarchief, hebben “in de dagen na de Duitse inval van 10 mei bijna vierhonderd Nederlanders” zelfmoord gepleegd, “de meesten in Amsterdam”. Een ware golf van zelfmoorden overspoelde Nederland. “Nog minstens zoveel mensen deden een mislukte zelfmoordpoging. Ruim de helft van hen waren joden die vreesden voor vervolging onder het naziregime.”
        Schrijver en journalist Lucas Ligtenberg (1958) heeft de zelfmoordepidemie systematisch (en voor het eerst) onderzocht, wat in mei 2017 leidde tot zijn boek Mij krijgen ze niet levend. Het telt 255 pagina’s, de uitgever is Balans. Ligtenberg stelde vast dat in mei 1940 “hele gezinnen, soms strak georkestreerd, de hand aan zichzelf sloegen”.
        Jacob en Betje wachtten ermee tot oktober 1942.


Doosje van Dordtse Marcus Katan
‘ontdekt’ in collectie joods museum

Doosje van Dordtse Marcus Katan

Dit is het doosje, uit het bezit van Marcus Israel Katan, dat zich nu in de collectie van het Joods Historisch Museum bevindt.
Foto JHM (objectnummer M005838)

“Wat leuk dat dat doosje bewaard is gebleven.” Zo reageert emeritus hoogleraar dr. Martijn Katan op de vondst van een doosje in de collectie van het Joods Historisch Museum (JHM) in Amsterdam. De ontdekking is bij toeval gedaan. Grasduinend door de collectie op het steekwoord ‘Dordrecht’, kwam een digitale foto tevoorschijn van een geïllustreerd kartonnen doosje, afkomstig van een zekere Dordtenaar M.J. Katan.

Goudkleurig
Martijn Katan is een erkend kenner van het geslacht Katan. Hij heeft een stamboom kunnen vervolmaken die tweehonderd jaar teruggaat. Kent hij de M.J. Katan, die in Dordrecht op de Voorstraat 249 een firma had in goud, zilver en horlogiën? Is hij misschien een verwant? werd hem gevraagd toen de redactie van deze Dordtse Stolpersteine-website hem raadpleegde over het doosje.
        Eerst wat detailinformatie over het doosje. Het JHM dateert het tot de periode 1880-1890. Het omschrijft het als “een kartonnen doosje met goudkleurige randjes en bloemmotiefjes aan de zijkant”. Op het deksel staat een bloemplukkende vrouw in een weide, met achter haar een bruggetje. Op een etiket aan de binnenkant van het deksel staat gedrukt: “M.J. KATAN / in / GOUD, ZILVER en HORLOGIEN / Voorstraat 249 / DORDRECHT”.
        Wie overigens de vervaardiger was van het gekleurde doosje, is onbekend. Evenmin kan het museum melden wanneer en van, of via wie, het ’t voorwerp heeft gekregen. En of het doosje van de familie Katan zelf is geweest, een persoonlijk voorwerp dus, of dat klanten het kregen bij aankoop van bijvoorbeeld een horloge, is allemaal ongewis. Het enige dat vaststaat is dat het joods erfgoed is. De afmetingen? Breedte 4,7 cm, diepte 6,7 cm, hoogte 2,5 cm. 

Dordtse archiefkaart van Marcus Israel Katan en zijn tweede vrouw Sara van Crewel

De Dordtse archiefkaart, voor- en achterzijde, van Marcus Israel Katan en zijn tweede vrouw Sara van Crewel.
Na juni 1919 verhuisden zij naar Rotterdam.
Foto’s Regionaal Archief Dordrecht

Echtgenotes
Die initialen kloppen niet met wat het museum vervolgens meldt – dat het doosje eigendom is geweest van een Marcus Israel Katan (Maassluis, 6.3.1857 – Dordrecht, 5.10.1899), M.I. dus. Hij was “gehuwd met Klaartje de Levita (Rotterdam, 12.2.1860)” en was van beroep eerst koopman, later goud- en zilverkasthouder, daarna winkelier in goud- en zilverwerken. Het JHM besluit met: “De firma Katan was gevestigd te Dordrecht, vanaf 21 januari 1884 vanuit Delft. Het adres was aanvankelijk Rietdijk 41, later Voorstraat 249.”
        Op deze zakelijke gegevens valt wel wat af te dingen, nogal afgezien van de initialen en dat het Riedijk moet zijn. Onderzoek in het Dordtse archief leert dat Katan niet in Dordrecht in 1899 is overleden, maar in Den Haag, op 16 mei 1928, bijna dertig jaar later. De overlijdensakte staat hiernaast afgebeeld. Verder is Klaartje de Levita (Rotterdam, 12.2.1860) inderdaad zijn vrouw geweest, maar zij was al overleden, in Dordrecht op 5 oktober 1899, 39 jaar oud. Op de Dordtse gezinskaart, hier eveneens te zien, wordt Marcus’ tweede echtgenote genoemd: Sara van Crewel (Rotterdam, 2 juni 1857).
        De gezinskaart leert ook dat het echtpaar aanvankelijk per 6 september 1918 naar Amersfoort had willen verhuizen, maar dat is niet doorgegaan. Daarna was het voornemen om op 14 april 1919 naar Rotterdam te vertrekken, naar Catshoek 25, maar ook dat gebeurde niet. Uiteindelijk gingen Marcus en Sara naar de Vijverhofstraat 25 in Rotterdam. Volgens hun Rotterdamse archiefkaart lieten zij zich daar op 15 april 1919 inschrijven (en op 21 juli 1924 uitschrijven naar Den Haag).

overlijdensakte van Marcus Israel Katan

De overlijdensakte van Marcus laat zien dat hij niet in 1899 in Dordrecht is overleden, maar in 1928 in Den Haag.
Foto Gemeentearchief Den Haag

Overgrootvader
Maar wat kan Martijn Katan over Marcus Katan melden?
        Hij wees er al direct op dat de overlijdensdatum van Marcus in Dordrecht niet klopte, maar dat het Den Haag moet zijn. Daarnaast vertelde hij dat Marcus na Sara nog een derde keer is getrouwd, Sara overleed namelijk op 17 augustus 1922 in Rotterdam. Haar ‘opvolgster’ werd Roosje Polak (Smilde, 10.10.1861), die zelf ook voor de derde keer trouwde. Zij stierf in Den Haag op 4 september 1928 op 66-jarige leeftijd, ongeveer 3,5 maand na haar man. “Voor zover mij bekend, had hij uit geen van zijn huwelijken kinderen. Ik zou denken dat hij die best gewild had, maar we kunnen het hem niet meer vragen.”
        ‘Marcus’ en ‘Israel’ zijn, vervolgt Martijn Katan, “namen die vaak terugkomen in de familie Katan. Stamvader Marcus Levie kwam begin 18de eeuw zonder achternaam uit Polen naar Nederland en stierf lang voordat Napoleon in 1811 iedereen verplichtte tot een achternaam. Zijn zoon Salomon nam in 1811 de naam Katan aan, en noemde een van zijn zoons Marcus. Marcus was de grootvader van Marcus Israel, die naar hem is vernoemd. Salomon Katan en zijn vrouw noemden een andere zoon Israel, en die was de overgrootvader van mijn vader.
        “Mijn vader werd naar die overgrootvader vernoemd, omdat hij de derde zoon was en de grootvaders van beide zijden al vernoemd waren. Mijn vaders joodse naam, voor gebruik in de synagoge, was daarom Jisraeel (Hebreeuws voor Israel), maar zijn gewone naam was Richard. In die tijd probeerden sommige ouders joods klinkende voornamen te vermijden, misschien uit angst voor antisemitische uitingen. Veel joodse ouders gaven hun kinderen Germaans klinkende namen zoals Sigmund of Siegfried, en Richard deed denken aan Richard Wagner en klonk tegelijk een beetje als Israel.” Kortom, besluit Katan: “Marcus Israels grootvader en mijn betovergrootvader waren broers.” Hij voegt nog toe dat hij in zijn Engelstalige stamboom-app van Marcus Israel een Second Cousin Twice Removed is. “Ver weg dus.”



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'