Het voorbije joodse dordrecht
Na de Holocaust bestond er niet
een Jacob Cohen de Heer meer
![]() |
Vier leden van de familie Cohen de Heer die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden omgebracht. Hun namen stonden in de ‘Nederlandsche Staatscourant’ van
6 april 1950. Van geen enkel familielid is een persoonsfoto gevonden. |
Van Jacob Cohen de Heer zijn er meerdere geweest − minstens vijf, mogelijk zelfs veel meer − en ze waren allemaal familie van elkaar. In iedere volgende generatie werd steeds een baby Jacob genoemd, een tamelijk gangbaar gebruik in Nederland, maar in dit specifieke geval gaat het eeuwen terug.
In 1843 werd in Dordrecht zo’n Jacob geboren, op 20 april. Hij werd op volwassen leeftijd koopman en de echtgenoot van Grietje Spetter, die in Rotterdam is geboren op 17 november 1841. Zij trouwden op 21 juni 1876 in Rotterdam, hij was toen 33, zij 34.
Deze Jacob was nóg niet eens de allereerste Jacob Cohen de Heer. Want vóór hem was er een Jacob Cohen de Heer, die in Dordrecht is gestorven op 26 november 1856 en die gehuwd was met Grietje Herts. Deze Jacob was bij overlijden 69 − en dan beland je al in 1787. Zijn vader was trouwens ook weer een Jacob, maar dat gaat te ver terug voor dit verhaal. Grietje is overigens als 77-jarige in Dordrecht overleden op 20 september 1880; zij was een dochter van Liefman Herts en Sabilla Mozes.
Dit artikel concentreert zich op de Jacobs die er na de Jacob van 1843 kwamen, in 1877, 1912 en 1939. Zij delen behalve hun naam namelijk nog een overeenkomst, een uiterst verdrietige: alle drie zijn ze vermoord − in Auschwitz. Over hen gaat dit verhaal.
De Jacob van 1877 is nog 65 kunnen worden. Maar zijn zoon werd slechts 30 en zijn kleinzoon heeft maar drie jaar mogen leven.
De Jacob van 1877 was nog een geboren Dordtenaar, de navolgende twee Jacobs al niet meer. Zij kwamen ter wereld in Rotterdam, de stad waar het met Grietje begon.
Na de Tweede Wereldoorlog hield de naam Jacob Cohen de Heer op te bestaan. Niemand was er nog.
![]() |
De Insulindestraat in Rotterdam, gefotografeerd in april 1954. Hier, op nummer 24, woonde Jacob. |
![]() |
De geboorteakte van de Jacob van 1877. |
![]() |
Alida Betsi, de echtgenote van Jacob, overleed al op 50-jarige leeftijd. |
Dordrecht
De Jacob Cohen de Heer van 1877 trouwde op 22 mei 1907 in Rotterdam met Alida Betsi van Witsen. Allebei waren ze dertig jaar oud. Alida, geboren in dat Rotterdam op 3 augustus 1876, was een dochter van Salomon van Witsen en Rosetta Roos. Jacob was winkelbediende van beroep.
Bruidegom Jacob bleef na het huwelijk in Rotterdam wonen, op diverse adressen: Van der Duynstraat 61b, Vrouw Jannestraat 27a, Lange Pannekoekstraat 12a en vanaf 12 december 1934 in de Vijverhofstraat, op nummer 33b.
Jacob en Alida kregen vier kinderen, van wie de eerste nog in Dordrecht is geboren, op 18 april 1877. Ook hij heette weer Jacob. Op 1 december van datzelfde jaar gingen Jacob senior en zijn vrouw Grietje terug naar Rotterdam, met hun piepjonge baby Jacob. Begonnen werd op de adressen Coolstraat 64, 63 en 62, gevolgd door Aert van Nesstraat 30a, 64, 28, 38a en 64a. Daarop gingen ze naar Jan Sonjéstraat 25b, ten slotte (weer) naar Van der Duynstraat 61b. Wat de reden was van al deze verhuizingen, is niet bekend, noch te achterhalen.
Intussen kwamen er de andere kinderen. Op Jacob volgde Saartje, op 11 maart 1881, na haar verschenen Izak (25 mei 1881) en Betje (12 juli 1884).
De Jacob van 1877, zoals hij hier gemakshalve wordt genoemd, verloor zijn vrouw Alida al in 1927, op 26 mei. Zij is niet ouder dan 50 geworden. Alida is begraven in haar geboorteplaats, op de joodse begraafplaats Toepad, niet ver van de Van Brienenoordbrug gelegen.
En Jacob zelf? Hij is 65 mogen worden, maar stierf in deplorabele omstandigheden: hij werd vergast in Auschwitz, op 15 oktober 1942.
Jacob woonde in de oorlog, nog altijd in Rotterdam, in de Insulindestraat, op nummer 24. Daarvandaan werd hij afgevoerd naar Kamp Westerbork, vanwaar de weduwnaar op 12 oktober 1942 op transport ging, zoals zijn persoonskaart in het Arolsen-archief vermeldt.
![]() |
De Rotterdamse archiefkaart van het gezin van de Dordtse Jacob van 1977, voor- en achterkant, |
![]() |
In ‘Het Joodsche Weekblad’ van 5 december 1941 werd door de Jacob van 1912 nog een advertentie geplaatst, waarin hij om een net meisje vroeg om zijn kleine gezin te helpen. Foto Delpher |
Verhuisd
De Jacob die na de Jacob van 1877 werd geboren, was de Jacob van 1912. Hij trouwde op 6 april 1938 in Rotterdam met Sientje van der Sluijs (Rotterdam, 15 maart 1912). Hij was 25, zij 26 en een dochter van Marcus van der Sluijs en Schoontje van der Sluis. Het echtpaar ging op diezelfde 6 april wonen in de Woelwijkstraat, op nummer 6b. In het navolgende jaar kreeg het echtpaar een zoon, op 6 maart 1939, die ook weer Jacob werd genoemd. De familietraditie werd onverstoord voortgezet.
Op de website ‘Joods Monument’ staat dat deze Jacob aanvankelijk kantoor- en bankbediende was, later koopman. In 1932 woonde hij een halfjaar in Zeist bij zijn grootvader Salomon van Witsen, maar per 28 december van datzelfde jaar werd hij weer ingeschreven in het Rotterdamse bevolkingsregister, op het adres van zijn vader: Vijverhofstraat 33b. Toen hij met zijn bruid naar de Woelwijkstraat verhuisde, waren zij niet langer alleen: de beide zussen Grietje Rosa (Rotterdam, 19 april 1908) en Rosetta (‘Rosa’, Rotterdam, 21 juni 1910) trokken bij hen in. Hun vader was namelijk van de Vijverhofstraat verhuisd naar de Insulindestraat, nummer 24b.
![]() |
Op deze zogenoemde concentratiekamplijst worden de Jacobs van 1877, 1912 en 1939 genoemd. |
![]() |
De Rotterdamse overlijdensakte van de Dordtse Jacob van 1877, opgemaakt op 21 december 1951: |
![]() |
Drie persoonskaarten uit het archief van de Joodse Raad die de familie Cohen de Heer betreffen. |
![]() |
Vermoord
Op 31 juli 1942 sloeg het noodlot toe. Alle bewoners van de Woelwijkstraat 6b werden gearresteerd en afgevoerd naar Kamp Westerbork: de Jacob van 1912, echtgenote Sientje, hun kind de Jacob van 1939 en de zussen Grietje Rosa en Rosetta, die beiden werkzaam waren geweest als (ongehuwde) dienstmeisje. Op 3 augustus werden zij allen tegelijk gedeporteerd naar Auschwitz.
Zij werden echter in dit vernietigingskamp niet gezamenlijk vermoord. De 30-jarige Sientje en haar 3-jarige zoon, de Jacob van 1939, werden op 5 augustus 1942 meteen bij aankomst omgebracht. Maar vader Jacob (van 1912) heeft net als zijn oudere zussen Grietje (1908) en Rosetta (1910) volgens ‘Joods Monument’ eerst nog dwangarbeid moeten verrichten, voordat zij alsnog werden gedood. De overlijdensdatum van hen is vastgesteld op een en dezelfde datum: 30 september 1942. Zij zijn 30, 34 en 32 jaar oud geworden.
Als laatste van de lange reeks Jacob Cohen de Heers stierf de Jacob van 1877, de vader van de Jacob van 1912 en van Grietje Rosa en Rosetta. Hij werd vijftien dagen later in Auschwitz vermoord op 15 oktober 1942, 65 jaar oud. Of hij in Auschwitz zijn familieleden nog heeft kunnen zien, is niet meer vast te stellen.
![]() |
![]() |
Document uit het archief van de Oorlogsgravenstichting, waarin het overlijden wordt gemeld van de |
Document uit het archief van de Oorlogsgravenstichting, waarin het overlijden wordt gemeld van de |
![]() |
Document uit het archief van de Oorlogsgravenstichting, waarin het overlijden wordt gemeld van de Jacob van 1939.
Een krantebericht uit de |
< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'












