Het voorbije joodse dordrecht

Mozes en Mozes: twee Dordtse joden
in een Haags huis voor oude mannen

Het Israëlitisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis

Het Israëlitisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis aan de Neuhuyskade, op een prentbriefkaart uit circa 1930. In dit gebouw kwamen aan het eind van hun leven Mozes Redlich en Mozes Elsas te wonen, beiden geboren Dordtenaren. Van deze mannen is geen enkele foto gevonden, alleen wat papieren documentatie, zoals gezinskaarten en advertenties.
Foto Haags Gemeentearchief (HGA, nr. 001519225)

Hun voornamen komen overeen: Mozes en Mozes.
        En wat ze nog meer gemeen hebben, is dat ze allebei geboren zijn in Dordrecht, dat ze nadien beiden in Den Haag zijn gaan wonen en dat ze nu, eenmaal oud geworden, in hetzelfde oord zitten: het Israëlitisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis Newee Sjalom aan de Neuhuyskade 92-94 in Den Haag.
        Maar daarmee hielden de gelijkenissen wel op. Mozes Elsas was bijvoorbeeld weduwnaar, in tegenstelling tot Mozes Redlich, die zijn echtgenote, Leentje Graveur, nog bij zich had in dat verzorgingscentrum. En waar Mozes Elsas zich had bekwaamd tot sigarenmaker, was Mozes Redlich in zijn werkzame leven directeur geweest van het joodse weeshuis aan de Raamstraat in Den Haag.
        Nu zaten ze hier dan toch maar, in Newee Sjalom: twee bejaarde joodse Dordtenaren. Of ze elkaar gekend hebben, en of ze wel eens gezamenlijke herinneringen ophaalden aan Dordrecht; dat is gissen. Het aantal inwoners van het tehuis was weliswaar overzichtelijk, maar misschien bemoeiden de beide Mozessen zich niet met elkaar.
        Wel staat vast dat ze hoogbejaard waren – Redlich ver in de tachtig, Elsas ver in de zeventig – en ongetwijfeld hoopten ze in Newee Sjalom een rustige, welverdiende levensavond te kunnen doorbrengen. Maar dat kwam er niet van. De Duitsers bezetten Nederland. Eerst kooiden ze de joden met allerlei beperkingen en ten slotte namen ze deze mensen massaal het leven af – óók dat van Mozes en Mozes.
        In dit verhaal: begin en einde van twee Dordtenaren die puur door toeval samen in een Haags bejaardenhuis verzeild raakten.

Sara Redlich-van Wijhe overlijdt op 16 maart 1904

Sara Redlich-van Wijhe, de moeder van Mozes Redlich, overlijdt op 16 maart 1904 in Rotterdam, 87 jaar oud. De overlijdensadvertentie stond in het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ (NIW), op 18 maart. Zij is begraven op de joodse begraafplaats aan het Toepad in Rotterdam.
Foto Delpher

Polen
Eerst de ene Mozes, Mozes Redlich, de jongste.
        Mozes Redlich was zeker niet het eerste kind van Isaac (of Isaäc, Izak en Izaac) Redlich en Sara van Wijhe. Die eer kwam toe aan Jochebeth, die niet in Dordrecht, maar in Zierikzee is geboren, op 28 september 1939. Zijn vader, afkomstig uit het Midden-Poolse Kolo en daar geboren op 20 juli 1801, werkte in deze hoofdgemeente van Schouwen-Duiveland als ‘Israëlitisch godsdienstonderwijzer’. Jochebeth kwam ter wereld om 03 uur ’s ochtends; zijn moeder werd abusievelijk in de geboorteakte ‘Sara van Wehe’ genoemd. Moeder Sara (Delden, 1.11.1818) was aanmerkelijk jonger dan de vader: 22 tegenover 39.
        Lea Redlich werd twee jaar later het tweede kind van het echtpaar, dat zich inmiddels in Dordrecht bevond, in huis 348 van het ‘Torenstraatje’. Isaac was in deze stad ingeschreven als ‘perkamentschrijver’. Lea verscheen op 22 oktober 1841. Vijf kinderen kwamen er na haar, allen in Dordrecht. Twee van hen leefden slechts kort, zoals het overzicht laat zien: Jette (19.12.1843), Rebekka (19.4.1846 – 8.4.1848), Betje (6.10.1848), David (5.8.1851 – 4.8.1852) en op het laatst verscheen Mozes, op 14 juli 1854. Het gezin Redlich woonde inmiddels elders in de binnenstad, nu op nummer 205 van de Riedijk.

Rotterdam
Met de vijf kinderen die in leven waren gebleven, trokken Isaac en de zwangere Sara verder, naar Rotterdam. Op 25 juni 1857 kwamen zij in deze stad aan; ze betrokken er een woning aan de Schiedamsedijk (nr. 183), later verhuisden ze naar de Goudweg (82). Hier werd nog het zesde kind geboren, op 14 december 1857, Edelina. Maar het aantal viel op 8 februari 1871, na 14 jaar, weer terug naar vijf. Op die dag overleed Betje, in de leeftijd van 22 jaar.
        Grote stap voorwaarts: op 5 juni 1895 trouwt in Rotterdam Mozes Redlich, die dan al 40 is, met de 32-jarige Leentje Graveur. Zij is een geboren Rotterdamse, daterend van 24 juli 1862. Haar ouders zijn Abraham Graveur (Rotterdam, 10.4.1815) en Jannette Hartogs (Zwolle, 21.9.1824). Mozes’ vader Isaac heeft het huwelijk niet kunnen meemaken; hij was al in 1886 overleden, in Rotterdam, op 17 december, op 85-jarige leeftijd. Mozes’ moeder Sara zal aanwezig zijn geweest; zij overlijdt ‘pas’ op 16 maart 1904, nog steeds in Rotterdam, 87 jaar oud.
        Ook Leentje’s ouders leefden nog toen hun dochter en Mozes elkaar het ja-woord gaven. Voor de volledigheid: Abraham is als 81-jarige gestorven op 30 juli 1896, Jannette als 71-jarige op 25 september 1895, krap vier maanden na de plechtigheid.

Leentje Swaab trouwt in speptember 1884 in Dordrecht met Jacob Elsas

Leentje Swaab, de moeder van Mozes Elsas, trouwt in speptember 1884 in Dordrecht met Jacob Elsas. Zij heeft hem in Gorinchem leren kennen in 1855 en heeft twee kinderen, Mozes en Betje, die Jacob een dag voor de bruiloft erkent. In de huwelijksakte staat dat van Leentje, die rondzwierf als ‘inlandsche kraamster’, geen geboorteplaats bekend is, noch de namen en woonplaats van haar ouders. En zij is “naar gissing” vijftig.
Foto Regionaal Archief Dordrecht


Mozes gaat in mei 1895 in Rotterdam in ondertrouw met Leentje Graveur

Mozes, inmiddels 40 jaar oud, gaat in mei 1895 in Rotterdam in ondertrouw met Leentje Graveur (32), bericht ‘De Maasbode’ op 26 mei. Op 5 juni is het huwelijk.
Foto Delpher

Bizar
Nu de andere Mozes, Mozes Elsas.
        De jeugdjaren van Mozes Elsas, geboren in Dordrecht op 18.01.1867, verliepen enigszins ongewoon. Hij heette namelijk oorspronkelijk anders: Mozes Swaab. Zijn moeder, Leentje Swaab (of Zwaab), was zwanger geraakt van een man die op de geboorteakte van Mozes niet wordt genoemd. Het overkwam Leentje twee jaar later nog eens. Toen beviel zij, op 9 juni 1869, van Betje Swaab. De vader? Opnieuw onbekend.
        Nog bizarder wordt het als de koopvrouw en ventster Leentje op 20 september 1884 in Dordrecht trouwt met de 47-jarige koopman in ongeregelde goederen en manufacturen Jacob Elsas (1837), afkomstig uit Amsterdam. Op de huwelijksakte wordt vermeld dat “noch de leeftijd van Leentje, nog haar geboorteplaats, noch de namen van haar ouders bekend” zijn. Ze is “naar gissing” ongeveer 50 jaar oud.
        Anonimiteit omringt ook de ouders van Jacob. Als zijn (al overleden) moeder wordt Grietje Jacob genoemd in diezelfde akte, maar de vader blijft onbekend. En Jacob zelf is als de “meerderjarige, niet-erkende” genoteerd.
        Leentje treft het met Jacob. Hij erkent haar beide kinderen op 19.9.1884, één dag dus voor de bruiloft. Mozes en Betje, ondertussen 17 en 15 jaar oud, gaan voortaan door het leven als Elsassen.
        Als echtelieden hebben Jacob en Leentje echter niet lang met elkaar kunnnen optrekken: Leentje overleed elf jaar later, op 8 oktober 1895, in het Ziekengasthuis aan de Haarstraat in Gorinchem, om 10 uur ’s ochtends. Jacob zelf stierf op 5 augustus 1914, in Dordrecht.
        Tot zover de overzichtelijke, normale feiten. Er zijn echter ook rare gegevens te melden. Die komen aan de orde in het navolgende terzijde.

Mozes Elsas trouwt in juni 1893 met de Haagse Heintje Danser

Mozes Elsas op zijn beurt trouwt in juni 1893 met de Haagse Heintje Danser. Het echtpaar krijgt drie kinderen. De gezinskaart in het Haagse Gemeentearchief laat zien dat het gezin dikwijls is verhuisd.
Het echtpaar Redlich veranderde nog vaker van woonstek.
Foto’s Gemeentearchief

Hamburg
[Wie het Dordtse bevolkingsregister en aansluitend andere archieven raadpleegt, vindt in een handomdraai wel de geboorteplaats- en -datum van Leentje Swaab: Amsterdam, 23 augustus 1926. Wist zij dit zelf echt niet (meer) of heeft ze onwetendheid voorgewend?
        De Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen weet dat gegevens in een bevolkingsregister niet altijd betrouwbaar zijn, en zocht op ons verzoek verder – om die gegevens te kunnen checken. Bij dat nader onderzoek stuitte ze op nóg meer merkwaardigheden. In het bevolkingsregister van Amsterdam is bijvoorbeeld rond 1826 geen enkele Leentje Swaab of welke andere Zwaab dan ook te vinden. En in de overlijdensakte van Leentje staat ineens Hamburg als haar geboorteplaats aangegeven.
        Leentje kende Gorinchem trouwens, de stad waar ze overleed. In de huwelijkse bijlagen die behoren bij de huwelijksakte van haar en Jacob, staat onder andere dat Leentje in “het jaar 1855 in een logement te Gorkum heeft kennisgemaakt met Jacob Elzas, koopman thans wonende te Dordrecht, met wien zij sedert dien tijd steeds heeft geleefd en met wien zij thans een wettig huwelijk wenscht aan te gaan”.
        Vóór 1855 heeft Leentje, volgens deze bijlagen, “hier en daar in ons land en misschien daarbuiten rondgezworven en is het haar niettegenstaande alle mogelijke nasprongen niet gelukt te weten te komen wie haar moeder is geweest en waar zij is geboren”. Zij trok door het land als “een inlandsche kraamster”.
        In 1856, 1861 en 1864 bevindt Leentje zich in Amsterdam, zo leren de naspeuringen. Op 29 juli 1865 kwam zij samen met Jacob in Dordrecht aan, vanuit Tiel.
        Leentje blijkt verder nog meer kinderen te hebben gebaard, blijkens geboorteakten. In Oud-Beijerland op 3 maart 1856 wordt Meijer geboren, op 5 januari 1861 in Aarlanderveen Grietje, op 22 maart 1864 in Den Bosch Josephina, op 19 januari 1867 in Dordrecht Mozes en ten slotte op 9 juni 1869 Betje. Steeds wordt Leentje omschreven als een ongehuwde koopvrouw, wonende te Amsterdam. In de geboorteakte voor Josephina van 1864 staat Jacob Elsas als getuige geregistreerd.
        Het vermoeden rijst dat Jacob, immers al haar metgezel vanaf 1855, ‘gewoon’ de vader is van al deze kinderen, of althans haar vrijer.
        Na het huwelijk in Dordt in 1884 woonde het echtpaar achtereenvolgens in de Mariënbornstraat (nr. 21), in de Wijngaardstraat (68) en in de Doelstraat (30 rood).
        Tot zover alle curiositeiten.]

Rotterdamse gezinskaart van Edelina Redlich

Nog een gezinskaart, uit het Rotterdamse Stadsarchief, van Edelina Redlich, de zus van Mozes, en haar man Nathan Wessel. Het echtpaar, dat in Rotterdam trouwde op 26.1.1887, kreeg vier kinderen. Het huwelijk van haar broer Mozes bleef kinderloos.
Foto Archief Rotterdam

Kelner
Terug naar Mozes, de zoon van Jacob en Leentje.
        Mozes Elsas wordt sigarenmaker, maar werkt ook als kelner. Op 28 november 1892 vestigt hij zich in Den Haag. Hij was op 8 augustus 1892 vanuit Harderwijk weer terug naar Dordrecht gegaan, maar trekt na vier maanden verder, naar Den Haag. Daar trouwt hij op 14 juni 1893 met de geboren Haagse Heintje Danser (30.4.1864), dochter van Eliazer Danser en Rebecca (‘Betje’) Blok. Mozes is 27 intussen, zij 29.
        Drie kinderen krijgen Heintje en hij, alle drie in Den Haag. De eerste is Lena (15.9.1894), de volgende Eliazar (23.3.1896), de derde en laatste Grietje (20.5.1898).
        Kort vestigt het gezin zich even in Haarlem, want de Haagse gezinskaart toont aan dat Mozes en de zijnen zich op 29.4.1899 weer laten inschrijven in Den Haag, en dat hun vorige woonplaats Haarlem was. Hierna zullen Heintje en Mozes de stad niet meer verlaten.
        Over hun beider leven is na 1899 niets geboekstaafd, dan behalve dat het echtpaar binnen Den Haag voortdurend van woning verwisselde. Van de Voldersgracht 78 naar bijvoorbeeld de Houtmarkt (in 1914), de Turfmarkt (1916), de Adriaan Amptstraat (1927), en ten slotte de Repelaerstraat, in februari 1938, op nummer 18. Een jaar later overlijdt Heintje, 75 jaar oud, op 25 december 1939. Mozes, ook zeventiger inmiddels, is misschien toen, of korte tijd erna, naar Newee Sjalom gegaan, het joodse tehuis voor oude mannen.
        Omgeven door leeftijdsgenoten zal hij er onbedreigd en onbezorgd hebben willen genieten van zijn laatste levensfase. Zijn drie kinderen waren alle drie allang getrouwd; twee van hen, Lena en Grietje hebben al kinderen, ieder drie. Alleen het huwelijk van Eliazar met Evelina Waisvisz, op 27.6.1923 in Den Haag, is kinderloos gebleven.

joodse weeshuis

Als directeur en directrice van het joodse weeshuis Ezer Jatom aan de Raamstraat 45 waren Mozes en Leentje omringd door kinderen. Zij dienden in dit weeshuis vanaf mei 1897. In 1932 werd aan de Pletterijstraat 66 een nieuw weeshuis geopend. De foto’s tonen de beide gebouwen. Op de kleurenfoto is links het (witte) pand waarin het weeshuis was gevestigd, een bordje naast de deur herinnert eraan.
Foto’s Google Maps en HGA (nr. 0.57146)

Directeur
Eigen kinderen hebben Mozes en Leentje Redlich evenmin gekregen. Desondanks is hun leven overvloedig gevuld geraakt met kinderen. Ze zijn namelijk directeur en directrice geworden van het joodse weeshuis Ezer Jatom (Hulp voor Weezen) aan de Raamstraat 45. Op hun manier fungeerden ze toch als een vader en moeder.
        Dat over Mozes en Leentje informatie is gevonden, is te danken aan David van der Stam, die zelf van 1891 tot omstreeks 1907 in dit weeshuis woonde. Toen op 4 mei 1932 aan de Pletterijstraat 66 het nieuwe weeshuis werd geopend, haalde David in de Ha’aoed-De Vuurzuil, het toenmalige weekblad voor joods Den Haag, herinneringen op aan het oude weeshuis. En op die publicatie baseerde Corien Glaudemans zich weer voor een artikel op de website van de Stichting Joods Erfgoed Den Haag, geplaatst op 26 november 2015. Daaruit wordt hier geciteerd.
        Toen David van der Stam als zes-jarige het weeshuis betrad, waren de heer en mevrouw Salomons nog de vader en moeder. Zij voerden tussen 1876 en mei 1897 de directie over het tehuis, waar ongeveer 27 joodse kinderen woonden. Joseph Salomons “regeerde het weeshuis met harde hand en gebruikte ook regelmatig zijn stok om kinderen terecht te wijzen”, weet David nog. Salomons’ hond Pollo was niet geliefd. Het dier zorgde er wel voor dat een ondeugend kind niet kon weglopen als de ‘vader’ het wilde straffen met zijn traditionele stok.
        Vooral stiptheid en orde stonden centraal, vertelde David. Het leven vertoonde “veel gelijkenis met een militair bestaan”.
        Met de komst van Mozes en Leentje Redlich brak “een veel betere tijd aan”. “De kinderen kregen joodse les in het weeshuis, de oude speelzaal werd verbouwd tot een synagoge.” Joodse feestdagen, zoals Jom Kippoer en de Pesach, “werden uitbundig gevierd”. Op “mooie dagen” maakten de weesjongens lange wandelingen met vader Redlich, naar Delft, Leiden of andere plaatsen in de omgeving, “waarbij de directeur veel over de natuur vertelde”. Eenmaal per jaar gingen de kinderen een hele dag uit naar de Rotterdamse havens of naar Artis in Amsterdam.
        “Heel blij” waren de kinderen met het besluit om de weeshuisuniformen af te schaffen. Ook was er gejuicht toen de oude gewoonte verviel om alle kinderen naar de jaarlijkse algemene ledenvergadering te laten komen. David: “Dan werden wij op een rijtje gezet en mochten het verslag van den Secretaris aanhooren. De kleinen vonden dit wel leuk, vooral omdat na afloop werd getracteerd op koffie en bolussen.” De oudere kinderen vonden het veel te langdradig en te lang duren.

kinderen en personeel van het weeshuis aan de Raamstraat

Op deze foto uit 1895 staan vermoedelijk kinderen en personeel van het weeshuis aan de Raamstraat, aan de achterzijde.
Foto HGA (nr. 001011189)

Boek
Hoe lang Mozes en Leentje Redlich zijn aangebleven, is niet achterhaald. Uit hun gezinskaart valt op te maken dat het echtpaar per 1 januari 1910 Raamstraat 45 als woonadres had, per 30 april 1913 werd het Loosduinsekade 151. Daarna volgt, totdat zij zich op 24 februari 1939 aan de Gedempte Gracht 13 vestigen, een lange serie andere adressen, her en der in Den Haag. Maar of dit nu betekent dat zij slechts drie jaar in het weeshuis hebben gewerkt, of zij buiten het weeshuis zijn gaan wonen, is niet uit te pluizen.
        Noodgedwongen wordt daarom vooruitgespoeld naar de Tweede Wereldoorlog. Het echtpaar, behoorlijk op leeftijd nu, is inmiddels beland in Newee Sjalom, het joodse verzorgingstehuis. Elders in het gebouw zit Mozes Elsas, die andere Haagse Dordtenaar.
        Newee Sjalom bestaat al sinds 1841, maar het pand aan de Neuhuyskade is pas betrokken in 1929. Dat heeft Henk Vis met Mirjam Schwarz uitgedokterd, toen hij een gedenkboek samenstelde over de vermoorde joodse inwoners van Winterswijk, getiteld We hebben ze allemaal gekend… Tot het inwonend verplegend personeel van Newee Sjalom behoorde Rosette Selly van Spiegel (10.12.1911) uit Winterswijk die op 17 september 1943 in Auschwitz is vermoord.
        Over het oude mannen- en vrouwenhuis valt te lezen dat in het nieuwe, moderne gebouw aan de Neuhuyskade plaats was voor zo’n tachtig bewoners en voor intern personeel. “In 1940 groeide het aantal verpleegden door de komst van vluchtelingen, onder meer uit het gebombardeerde Rotterdam. In oktober 1942 waren er 121 verpleegden. Omdat zij niet allemaal ondergebracht konden worden in het gebouw, werden er andere locaties gehuurd, in de Daendelsstraat, de Amalia van Solmsstraat, de Tweede Emmastraat en de Surinamestraat, in Den Haag.”
        Op 31 oktober 1942 werd Newee Sjalom, het bejaardenhuis van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, op last van de bezetter ontruimd. Vervuld van blinde weerzin begonnen de Duitsers de levens van Mozes Elsas, Mozes Redlicht en Leentje Redlich bruusk te verstoren, af te breken. Volgens het gedenkboek huisvestten zij de oudjes, “na vele omzwervingen, provisorisch in een pand aan de Rapenburgerstraat 52 in Amsterdam, waar vroeger een bewaarschool had gezeten”.

joodse bejaardenhuis aan de Neuhuuyskade

Nog een foto van het (front van het) joodse bejaardenhuis aan de Neuhuuyskade. Mozes en Mozes kwamen los van elkaar in dit gebouw, Mozes Elsas als weduwnaar, Mozes Redlich samen met zijn vrouw Leentje. Alledrie zijn zij in de oorlog in 1943 opgepakt en afgevoerd naar hetzelfde vernietigingskamp, Sobibor in Oost-Polen.
Foto’s HGA (nr. 049812) en Gemeentearchief

Gaskamers
In maart 1943 werden alle aanwezigen naar kamp Westerbork vervoerd, en vandaar op transport gesteld naar de gaskamers, in Oost-Europa.
        De alleenstaande weduwnaar Mozes Elsas eindigde in Sobibor, op 2 april 1943, 76 jaar oud. Maar tot dit leed bleef het niet beperkt. Ook zijn kinderen moesten van de nazi’s worden uitgemoord, en dat is ook grotendeels gebeurd, zoals blijkt uit het navolgende, korte overzicht.
        De toneelzangeres Lena, kind nummer 1 van Mozes en Heintje, was op 6.10.1915 in Den Haag getrouwd met Marcus Koekoek (Den Haag, 24.7.1891), een korist en koopman in prentbriefkaarten. Drie kinderen kregen zij: Sara (18.4.1916), Heintje (6.7.1918) en Roza (19.9.1929). Lena, haar man Marcus en dochter Roza werden vergast in Auschwitz, tegelijk op 8.10.1942. Sara was enkele dagen eerder daar al omgebracht, op 30.9.1942; Heintje stierf in Sobibor op 9.7.1943, samen met haar man Israël Pais (Den Haag, 8.6.1918). Zes doden.
        Eliazar, kind nummer 2. Zijn echtgenote, de onderwijzeres Evelina Waisvisz (Den Haag 29.12.1899), werd op een onbekende datum in december 1942 omgebracht in Auschwitz. Haar man heeft de oorlog overleefd. Eliazar overleef in Utrecht op 19.3.1970, 73 jaar oud. Eén dode, één overlevende.
        Grietje tot slot, kind nummer 3. Zij huwde op 9.11.1927 in Den Haag kelner Jacob Speijer (Amsterdam, 13.1.1903). Drie kinderen kregen zij: Mietje (geboren 27.11.1928, overleden 29.11.1928), Mozes (24.12.1929) en Simon (29.1.1932). Al deze gezinsleden zijn in Auschwitz vernietigd, drie op 19 augustus 1942, Jacob op 30 september 1942. Vier doden.

dood van Mozes Redlich

De dood van Mozes Redlich werd pas op 23 juni 1950 geregistreerd in Den Haag.
Foto’s HGA (nr. 049812) en Gemeentearchief

Nog meer doden
Groot zal ook het verdriet bij de Redlichs zijn geweest. Mozes en Leentje zijn tegelijk gedood in Sobibor, op 16 juli 1943. Hij was 89, zij 80.
        Kinderen hadden zij niet, maar Mozes Redlich verloor wel andere familieleden aan de Holocaust. In de oorlog leefde nog zijn ene, laatstgeboren zus, Edelina. Al in de tachtig was zij. Edelina was op 26 januari 1887 getrouwd met Nathan Wessel en schonk hem, in Rotterdam, vijf kinderen: David (8.11.1887), Sara (9.11.1889), Elisabeth (5.2.1892), Hendriëtte (16.11.1893) en Willem (28.3.1896). Willem stierf al op 8.8.1917, vader Nathan op 16.2.1923.
        Edelina, die op het laatste in de Dahliastraat 5 in Rijswijk woonde, bij haar dochter Sara, is op 17 september 1943 in Auschwitz omgebracht, 85 jaar oud. Sara de Beer-Wessel is daar ook vermoord, op 9.11.1942, 53 jaar oud. Haar zoon Joseph Barend (Rotterdam, 11.6.1926) werd in Sobibor het leven ontnomen, op 11.6.1943, 17 jaar oud. De echtgenoot van Sara, Abraham de Beer (Zwammerdam, 8.1.1890), heeft de oorlog weten te doorstaan, maar heeft van de vrijheid slechts kort mogen genieten: hij overleed in april 1946, in Kitschendorf, op 56-jarige leeftijd. Twee doden, één overlevende.
        Anno nu leeft de wereld waarin de ene en de andere Mozes uit Dordrecht opgroeiden, in niemand meer voort. Generaties kregen de kans niet zich voort te zetten, door de Holocaust stokte alles voorgoed.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'