Het voorbije joodse dordrecht

De gehavende familie Zwarenstein
uit Strijen en de Dordtse connectie

Twee foto’s met Pinas, de man die samen met Kaatje het grote gezin Zwarenstein in Strijen stichtte. Op de ene staat hij met zijn kleinzoon Pim, op de andere ook met Pim én zijn dochter Cornelia

Twee foto’s met Pinas, de man die samen met Kaatje het grote gezin Zwarenstein in Strijen stichtte. Op de ene staat hij met zijn kleinzoon Pim, op de andere ook met Pim én zijn dochter Cornelia. Deze twee zwart-witfoto’s zijn, evenals de andere bij dit verhaal, afkomstig uit het boekje ‘De Joodse Gemeenschap’, dat de oudheidkundige vereniging ‘Het Land van Strijen’ uitgaf in 1992, als deel 1, in de serie ‘Strijen in historisch perspectief’. De vereniging is gevestigd in het gelijknamige streekmuseum in Strijen. Voorzitter Arie Voordendag stond de foto’s af voor dit verhaal.
Foto’s ‘Het Land van Strijen’.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog telde de Hoeksche Waard 61 joden, na de bevrijding nog slechts elf – zó verwoestend pakte de jodenvervolging uit in deze streek.
        Van die 61 joodse bewoners woonden er in 1940 in het dorp Strijen achttien. Twaalf van hen behoorden tot de vrij orthodoxe familie Zwarenstein. Na de oorlog bleken er nog slechts twee van hen in leven te zijn. De overige tien waren routinematig vergast in Auschwitz, in twee sessies.
        Nellie en haar zoon Pim Zwarenstein waren die spaarzame Strijense overlevenden, samen met Jacob Kleinkramer, Nellie’s tweede echtgenoot. Gedrieën vormden zij het enige joodse gezin in de Hoeksche Waard dat in zijn geheel de vijf oorlogsjaren ongedeerd wist te doorstaan – een feit dat van zichzelf al veelzeggend is.
        Nellie en Pim Zwarenstein waren oud-Dordtenaren. Dat zij, zich al bevindend in kamp Westerbork, voor transport naar de vernietigingskampen gespaard bleven, hadden ze te danken aan een Dordtse advocaat. Jacob, het gezinshoofd, wist succesvol onder te duiken in de Biesbosch, vlakbij Dordrecht. En in de Hongerwinter van 1944 konden zijn vrouw en stiefzoon logeren bij vrienden in Dordrecht, tot aan de bevrijding.
        In dit verhaal: hoe connecties tussen Dordrecht en de Hoeksche Waard een compleet gezin redden.

Elf
Hartog (‘Zvi’) Zwarenstein is het startpunt. Levend van 1839 tot 1911 trouwde hij Elizabeth (‘Rivka’) Schooning uit Sommelsdijk (24.10.1866) en verwekte bij haar elf kinderen. Onder wie Pinas, geboren op 30 april 1870 − de man die de schoonvader zou worden van Nellie, de grootvader van Pim, dezelfde Pinas die in 1942 als oudste jood van Strijen gedeporteerd ging worden naar de dood.
        Pinas Zwarenstein had niet zo’n talrijk gezin als zijn vader Hartog. Pinas trouwde op 35-jarige leeftijd met de 28-jarige Kaatje (Strijen, 3.11.1876), die van zichzelf ook Zwarenstein heette, maar afstamde van een andere tak. En met haar, bijgenaamd Gitele, kreeg hij vijf kinderen: Hartog (25.4.1906), Philippus (8.3.1907), Elisabeth (‘Betsie’; 10.4.1910), Bertha (15.10.1911) en Cornelia (‘Corrie’; 5.9.1915).
        Op dit gezin, wonend aan de Kerkstraat in Strijen, concentreert zich dit artikel. Want het was Philippus die de (eerste) man zou worden van Nellie, en de vader van Pim. En Philippus was, nog zo’n relatie met Dordrecht, dierenarts in Dubbeldam, indertijd een zelfstandige gemeente, tegenwoordig een wijk van Dordrecht.
        In de loop van dit verhaal komen twee bronnen steeds terug. De ene is Gerda den Hartog, die het hoofdstuk over ‘De Joden’ schreef in het boek Oorlog in de Hoeksche Waard 1940-1945, uitgegeven in 2015 door het museum Hoeksche Waard in Heinenoord. Den Hartog kreeg inzage in het dagboek dat Nellie Zwarenstein heeft bijgehouden over de oorlogstijd, een privédomein. Zij kon daardoor vele gebeurtenissen reconstrueren, die ook onderdeel zijn van dit verhaal. Bijgevolg wordt er ruimhartig geciteerd uit Den Hartogs bevindingen.
        De andere bron is Mylène Zwarenstein, die, voor een goed begrip, een dochter is van Pim Zwarenstein en (de later in Jeruzalem ook joods geworden) Maria van den Toorn. Mylène heeft een uitgebreide website aangelegd over de dynastie Zwarenstein, zwarenstein.nl geheten, die Nederlands- en Engelstalig is. Ze wil er de herinnering mee levend houden aan de Zwarensteinen die er niet meer zijn, en een forum bieden voor de overgeblevenen.
        Mylène heeft de redactie van deze website van de benodigde details voorzien. Mylène is deels opgegroeid in Strijen en heeft in Dordrecht op school gezeten. Zij woont en werkt in Rotterdam. Haar vader hertrouwde in 1985 en kreeg met zijn tweede vrouw nog een dochter.

Pinas en Kaatje krijgen vijf kinderen. Deze krantenberichten delen de geboorte van Elisabeth en die van Bertha

Pinas en Kaatje krijgen vijf kinderen. Deze krantenberichten delen de geboorte van Elisabeth
(Dordrechtsche Courant, 16.4.1910) en die van Bertha (DC, 28.10.1911) mee, kind 3 en 4.
Foto Krantenbank RAD


Dit is het pand waarin het gezin van Pinas en Kaatje Zwarenstein woonde

Dit is het pand aan de Kerkstraat waarin het gezin van
Pinas en Kaatje Zwarenstein woonde,
indertijd had het nummer 26, nu nummer 35.
Thans is er de kantoorboekhandel Schouten gevestigd.
Foto Redactie Website

Indisch
Philippus (‘Flip’) Zwarenstein, de vee- en dierenarts, vestigde zich volgens het Dordtse archief op 21 juli 1933 in Dubbeldam, rechtstreeks komend uit het ouderlijk huis aan de Kerkstraat 26 in Strijen. Op 9 augustus betrok hij een woning aan de Reeweg-Zuid, op nummer E 132. Deze weg, die eindigt bij waar vroeger het veer naar ’s-Gravendeel voer, heet thans Amstelwijckweg en het nummer is nu 34. Na hun bruiloft op 20 december 1933 in Den Haag, voegde Cornelia Helena Zwarenstein, de al eerder genoemde Nellie, zich bij Philippus, op 4 januari 1934.
        Cornelia had een Indische achtergrond. Zij was geboren in Pare-Pare, een havenstad op het eiland Celebes, in Nederlands Oost-Indië, op 3 juni 1912, als dochter van Levie (‘Louis’) Zwarenstein en Clara Rappaport. Levie Zwarenstein was direct verbonden met Philippus. Als achtste zoon van Hartog en broer van Philippus’ vader Pinas, was Levie een oom..
        Het huwelijk had volgens Gerda den Hartog “nogal wat voeten in aarde”. De ouders van Philippus, Pinas en Kaatje, “achtten Nellie niet joods genoeg”. Weliswaar had zij een joodse vader, de broer van Pinas, “maar onduidelijkheid” bestond erover of haar moeder Clara wel joods was. “Ze werd gesommeerd zich opnieuw te laten dopen in de synagoge van Antwerpen.” (Met andere woorden: ze moest naar joodse wet opnieuw uitkomen).
        De kwestie lijkt een voorafschaduwing van wat zich in de oorlog gaat afspelen rond Nellie’s afkomst. Hierover verderop meer.

de meisjes Zwarenstein

Omgeven door buurtkinderen poseren hier voor de fotograaf de meisjes Zwarenstein, toen wonend in de Kerkstraat 37,
v.l.n.r. Eva, Truus (uit Indië), Cato, Cornelia en Sientje.
Foto ‘Het Land van Strijen’

de vier gezusters Zwarenstein in 1940

Deze historisch zwart-wit-foto toont de vier gezusters Zwarenstein in 1940: v.l.n.r. Sientje, Cato, Keetje en Eef, officieel Sientje, Cato, Cornelia en Eva geheten. Zij dreven de stoffenwinkel naast de winkel van Pinas.
Foto ‘Het Land van Strijen’.


Kaatje Zwarenstein, Toos Zwarenstein en moeder Betje Zwarenstein-Kleinkramer

Op deze foto staat rechts Kaatje, de vrouw van Pinas. De twee anderen zijn
Toos Zwarenstein (links) en haar moeder Betje Zwarenstein-Kleinkramer (midden).
Foto ‘Het Land van Strijen’

Wondinfectie
Philippus en Nellie kregen op 27 september 1934 een zoon: Pim. De gezinskaart laat zien dat de ouders zich rond die tijd lieten bijstaan door een dienstbode. Eerst, van 3 januari 1934 tot 14 mei werkte er de Dordtse Bastiaantje Dirkje Willemstein (1911), daarna van 31 mei 1934 tot 1 september 1935 Anna Belder (1910) uit Maasdam.
        Zijn beroep oefende Philippus niet alleen uit vanuit zijn huis. Hij beschikte ook over een polikliniek voor kleine huisdieren aan de Nic. Maessingel 188 rood (nu: 264). Volgens een advertentie in de Dordrechtsche Courant was deze dagelijks tussen 19 en 20 uur te bezoeken. Maar lang heeft hij zijn praktijk niet kunnen aanhouden: Philippus overleed volkomen onverwacht op 27-jarige leeftijd op 23 februari 1935, ’s nachts om vier uur. Volgens Gerda den Hartog velde een longontsteking hem, nadat hij bijna genezen leek van “een wondinfectie opgelopen bij het halen van een dood kalf”.
        Nog geen vijf maanden na de geboorte van Pim, was Nellie Zwarenstein weduwe.
        In 1938, drie jaar later, hertrouwt zij, opnieuw met een Strijense jood: Jacob (‘Jaap’) Kleinkramer, geboren in Strijen op 13 janauri 1905. Zijn oma is ook een Zwarenstein, Rachel. Jacob is een veehandelaar die samen met vader, Jozeph Ruben Kleinkramer (Strijen, 19.12.1873), en zijn moeder, Roosje Kleinkramer-Haas (Strijen, 4.8.1878), woont in de Molenstraat 11. Nellie trekt bij hen in. Ze hoeft niet ver te verhuizen. Zij was met de kleine Pim al op 2 september 1935 van Dubbeldam naar Strijen vertrokken. Misschien wel omdat ze zich daar omgeven wist door familie, andere Zwarensteinen.

Drie berichten die te maken hebben met Philippus Zwarenstein

Drie berichten die te maken hebben met Philippus Zwarenstein, die ontwikkelde zich tot dierenarts. Hij ging wonen aan de Reeweg-Zuid E132, maar had had ook een polikliniek voor kleine dieren in de binnenstad (DC, 18.7.1933). Philippus verloofde zich in december 1933 in Dubbeldam met Cornelia Helena Zwarenstein (DC op 16.12.1933).


Dit is het huis waarin Philippus en Nellie destijds woonden

Dit is het huis waarin Philippus en Nellie destijds woonden.
De Reeweg-Zuid heet tegenwoordig Amstelwijckweg.
Foto Redactie

Onvermijdelijk
Twaalf zijn dat er in ieder geval. Twaalf van de achttien joden die bij het begin van de Tweede Wereldoorlog nog in Strijen leven. Zó prominent zijn de Zwarensteinen dat ze een soort synoniem voor Strijen zijn geworden, rapporteert Den Hartog. Volgens haar wordt er gezegd dat ‘Strijen’ zelfs verbasterd is tot ‘stein’ in de naam Zwarenstein. Het is niet de enige naam die er voorkwam, er zijn ook Kleinkramers en Van Coevordens, maar wel een die onvermijdelijk is. Sommige vrouwen gaan dubbel Zwarenstein heten na hun trouwen, zoals Kaatje, vrouw van Pinas.
        Mylène Zwarenstein betwijfelt deze theorie. Zij zegt: “Zelf heb ik altijd gehoord dat er drie broers waren die een achternaam moesten kiezen en toen voor Zwarenstein, Ligtenstein en een derde onbekende. Later kwam ik in de archieven van het museum in Heinenoord inderdaad nog een derde joodse familie tegen, de Blankensteins.”
        Pinas Zwarenstein is inmiddels de oudste jood van Strijen. Hij, horlogemaker en goudsmid, heeft aan huis een winkeltje dat zijn vrouw en dochters runnen, “terwijl hij zijn waren buiten het dorp slijt met paard en wagen”, aldus Den Hartog. Naast hen wonen de vier ongetrouwde zusters van Pinas: Kaatje (1873), Eva (1876), Sientje (1879) en Cornelia (1890). Den Hartog: “Zij hebben een stoffenwinkel en daarnaast naaien ze kleren. De ‘meisjes Zwarenstein’, zoals ze liefkozend worden genoemd, hebben een vaste werkverdeling.” De één doet het huishouden, de ander de winkel, de derde zus naait en de vierde is modiste.
        Aan de overkant, op nummer 10, drijven twee eveneens ongehuwde zussen van Pinas’ vrouw Kaatje een manufacturenwinkel met allerlei naaigerei en textiel. Ook verkopen ze jodenkoeken. Die twee zijn Mijntje (1873) en Sientje (1875). Volgens Den Hartog zijn al deze Zwarensteinen “orthodox” in de joodse leer. Ze houden streng vast aan de uren van de ‘sjabbes’. De winkels zijn gesloten van zonsondergang op vrijdag tot zonsondergang op zaterdag, en gaan daarna weer open tot 22 uur.

gezinskaart van Philippus en Nellie

De gezinskaart van Philippus en Nellie toont niet alleen de geboorte van zoon Pim,
ook dat er twee dienstboden hebben gewerkt.
Foto RAD


Nellie, de weduwe van Philippus, hertrouwde in oktober 1938 met Jacob Kleinkramer

Nellie, de weduwe van Philippus, hertrouwde in oktober 1938 met Jacob Kleinkramer, zoon van Jozeph Kleinkramer (19.12.1873 – 7.3.1941) en
Roosje Kleinkramer-Haas (4.8.1878 – 17.1.1969). Dit gezin woonde aan de Molenstraat 11 (nu: 13). Nellie trok bij Jacob in.
Foto Redactie Website

Oorlog
De oorlog vermorzelt de Strijense Zwarensteinen. Er gebeurt precies wat de nazi’s beoogden: uitroeiing.
Twee dochters van Pinas en Kaatje, Bertha en Cornelia, zijn volgens Den Hartog “de eerste joodse Strijenaren die op transport worden gesteld”. Op 30 september 1942 eindigden zij beiden in Auschwitz.
        Enkele maanden later zijn Pinas en Kaatje zelf aan de beurt, plus zijn vier ongetrouwde zussen Kaatje, Eva, Sientje en Cornelia, plus haar twee ongehuwde zussen Mijntje en Sientje. Acht leden van de familie Zwarenstein worden gearresteerd op 5 november 1942, afgegeven aan de Sicherheitspolizei in Rotterdam, overgebracht naar Amsterdam, en op 13 november 1942 zijn ze allen dood, onverschillig vergast in Auschwitz.
        Pinas en Kaatje hadden nog een dochter: Elisabeth (1910). Zij was getrouwd met Jacob Louis Hammelburg (Dirksland, 13.10.1902) en woonde in Sommelsdijk, op Goeree-Overflakkee. Het echtpaar had een dochter, Hester Cato (22.08.1938). Maar ook zij ontsnapten niet aan de grenzeloze moordzucht van de Duitsers. Zij werd vergast in Auschwitz, Elisabeth op 19 augustus 1942, Hester op 22 augustus, Jacob op 26 september.
        Met de dood van Elisabeth was het gezin van Pinas nu volledig uitgewist. Hij heeft weliswaar ook nog twee zonen gehad, Hartog en Philippus, maar Hartog was in 1906 al na 1 maand gestorven, en Philippus, de dierenarts, in 1935.
        Het gezin waar Pinas uit voortkwam, dat van stamvader Hartog en Elizabeth, werd al even effectief uitgedund. Van de elf kinderen overleden er vier kort na de geboorte. Van de overige zeven zijn er zes omgebracht in de kampen. Dat waren niet alleen Pinas en zijn vier ongehuwde zussen, er was ook nog een Salomon (1886).
        Deze leraar was getrouwd met Geertruida de Jong (Strijen, 4.7.1912). Hij werkte eerst in Rotterdam en tussen 1920 en 1941 in Poerwokerto en Samarang in Indonesië. Blijkbaar teruggekeerd in Nederland werden Salomon en Truida eveneens naar Auschwitz vervoerd, waar ze op 27 augustus 1943 het leven verloren.
        Een volledig overzicht van alle gedode Zwarensteinen is via deze link in te zien.

pand van Mijntje en Sientje en het pand van vier ongetrouwde zussen van Pinas

In de oorlog werden tien van de twaalf overgebleven Zwarensteins in Strijen opgepakt en gedeporteerd. De eerste foto laat het pand zien waarin Mijntje en Sientje, twee ongetrouwde zussen van Pinas’ vrouw Kaatje, een manufacturenwinkel dreven, aan de Kerkstraat 10 (nu: 26). Zij woonden recht tegenover hun zus. De tweede foto toont het pand, op nummer 25 (nu 37), naast de winkel van Pinas en Kaatje (foto bovenin). Hier woonden en werkten de vier (ook ongetrouwde) zussen van Pinas, die er een stoffenwinkel hadden. Nu is ‘Villevoije Kappers’ er gevestigd.
Foto Alie van den Berg en Redactie Website


mevrouw De Koning woonde aan het Buiteneinde 10

Jacob Kleinkramer weigerde zich bij de Duitsers te melden, en dook onder:
in zijn eigen huis, maar ook soms bij mevrouw De Koning aan het
Buiteneinde 10, in de regenput. Dit is de woning van mevrouw De Koning.
Foto Redactie Website

Overleefd
Waren er na de oorlog nog overlevende Zwarensteinen? Ja, drie.
        Levie Zwarenstein (1882), de al genoemde vader van Nellie en broer van Pinas, zat nog altijd in Indonesië, waar hij volgens de database van Mylène, in Bandoeng eigenaar was van een detailhandel. Levie is op later leeftijd teruggekeerd naar Nederland. Hij overleed in Sassenheim, op 1 juli 1956, 74 jaar oud.
        De twee andere waren Levie’s dochter Nellie en haar zoon Pim. Ook haar tweede man, Jacob Kleinkramer, had zich wonderwel uit handen van de bezetter weten te houden, en zo werden zij het enige Strijens-joodse gezin dat na de oorlog nog intact was.
        Hun redding had op verschillende manieren rechtstreeks met Dordrecht te maken, en dat is de reden waarom hun relaas op deze Dordtse site wordt verteld.
        Toen Jacob Kleinkramer door de Duitsers werd opgeroepen zich te melden, reageerde hij niet. Mylène: “Hij vertrouwde het al vanaf het begin niet en dat is zijn redding geweest.” Hij duikt onder in zijn eigen huis, volgens Den Hartog “als een van de weinigen”. Zes andere Strijense joden verstoppen zich bij boeren in de omgeving. In en onder zijn huis heeft hij meerdere schuilplaatsen gemaakt, en behalve daar, verbergt hij zich ook soms in de regenput van mevrouw De Koning aan het Buiteneinde.
        Op 5 november, de dag van de arrestaties, belt een ongeveer 29-jarige jongen aan bij Nellie en Jacob Kleinkramer. “Mevrouw, vlug, vlucht. De Duitsers komen eraan om de joden op te halen”, alarmeert hij. Nellie zegt: “Ik hoef niet weg, wil je alsjeblieft de anderen in het dorp waarschuwen.” Haar man verstopt zich, kort erna staan er twee mannen aan de deur, op zoek naar hem. Binnen vertelt Nellie dat Jacob bij zijn zus in Zaltbommel is. Ze krijgt te horen dat ze hem moet schrijven dat hij terug dient te komen. Zelfs hoeft ze niet mee, omdat zij en Pim “slechts ten dele joods zijn”, schrijft Gerda den Hartog.
        [Nellie heeft veel eerder al haar achternaam met opzet veranderd in “Teng-Teng”, in een verwijzing naar haar Indische achtergrond. Dit zal haar later nog van pas komen.]
        Jacob Kleinkramer weet zich tot september 1943 te verstoppen in Strijen, maar “dan wordt het gevaar te groot”. Hij besluit onder te duiken bij kennissen in de Biesbosch. Den Hartog: “Verborgen in de gasgenerator van de vrachtwagen van Bertus en Henk Hoogvliet wordt hij via het veer tussen ’s-Gravendeel en Dubbeldam overgezet naar de Biesbosch. Hij krijgt op 19 oktober 1944 een vals persoonsbewijs op naam van Jacob Klinkhamer, waarvan Mylène Zwarenstein een kopie afstaat. Deze Klinkhamer is zogenaamd geboren in Heerlen, op 11 januari 1900, en was woonachtig in Almkerk, op het adres C42.
        Gescheiden van zijn vrouw en stiefzoon Pim weet Kleinkramer de oorlog te overbruggen. Waar in de Biesbosch hij verbleef − de Dordtse, Sliedrechtse of Brabantse – is tot nog toe niet achterhaald. Maar misschien is Almkerk een indicatie, en was het de Brabantse Biesbosch? Tijdens de oorlog overlijdt zijn vader Jozeph Ruben, op 7 maart 1941, op 67-jarige leeftijd.

persoonsbewijs, op naam van ene Jacob Klinkhamer

Later in de oorlog vluchtte Jacob Kleinkramer naar de Biesbosch, vanuit Strijen per vrachtauto, verborgen in een gastank. Hij beschikte over een vals persoonsbewijs, op naam van ene Jacob Klinkhamer, wonend te Almkerk.
Hij is tot aan de bevrijding in de Biesbosch gebleven.
Foto Familiebezit


de Dordtse oogarts Joop Smit en diens vrouw Dina woonden op de hoek van het Vrieseplein en Kromhout 153

Nadat Nellie en haar zoon Pim, door bemiddeling van een Dordtse advocaat waren uit Westerbork waren vrijgelaten, en vanuit Amsterdam naar Dordrecht waren gelopen, konden zij inwonen bij de Dordtse oogarts Joop Smit en diens vrouw Dina, die woonden op de hoek van het Vrieseplein en Kromhout 153 (nu: 217).
Foto Familiebezit

Advocaat
Nellie en Pim worden toch opgepakt en belanden in kamp Westerbork. Wanneer precies is niet meer te achterhalen. Volgen het Rode-Kruisarchief is 28 december 1943 genoteerd als de aankomstdatum van Pim. Maar volgens andere documenten is hij op 18 september 1943 al naar strafbarak 67 van dit kamp overgebracht − de barak overigens waar ook Anne Frank rond die tijd zat. Mylène voegt toe: “Ik vraag me af waarom mijn vader, opgepakt een paar dagen voor zijn negende verjaardag, in een strafbarak moest.”
        Hoe dit ook zij: de al eerder betwiste joodse afkomst van Nellie Zwarenstein gaat nu een rol spelen. De Dordtse advocate mr. dr. J.C. van der Engh-Brandt − die kantoor houdt in hetzelfde pand aan de Prinsenstraat 6 als haar collega de latere Engelandvaarder en minister mr. J.A.W. Burger, probeert de autoriteiten ervan te overtuigen dat Nellie Teng-Teng geen voljood is, en daarom “niet joods genoeg voor deportatie”. Op 7 september was hierover al een brief gestuurd naar de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. Nellie heeft maar één joodse grootouder, en dan moet je als halfjood worden geregistreerd, redeneert Van der Engh.
        Op 8 december, als Nellie en haar zoon al ruim twee maanden vastzitten, bevestigt de Rijksinspectie per aangetekende brief dat Nellie een halfjood is, ze mogen worden vrijgelaten. Dat gebeurt echter pas na 3,5 maand, op 21 maart 1944. Intussen moet Nellie volgens Den Hartog “hard werken in het kamp. Eerst voor een dokter, daarna [moet ze] aardappelen schillen van acht uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds. Het levert haar steeds twee extra boterhammen op, waarvan ze er één stiekem aan haar zoon geeft”.
        Uit een brief van mevrouw Van der Engh van 14 maart 1944 blijkt waarom de vrijlating zo lang duurde. Er moest een andere advocaat worden ingezet, omdat Nellie domweg weigerde zonder haar zoon te vertrekken.
        Kampcommandant Albert Konrad Gemmeker leent Nellie bij vertrek tien gulden voor de treinreis naar Amsterdam, “heel uniek”, noteert Den Hartog over dat gebaar. In Amsterdam kunnen Nellie en Pim zolang blijven bij een echtpaar dat zij via een broer van haar kent (haar persoonsbewijs noemt de Delistraat 14, op 27 maart 1944). Maar omdat dit echtpaar geen voedselbonnen krijgt, moet Nellie “veel de deur uit op zoek naar eten”. Na tien maanden besluit ze te vertrekken, ze gaat terug naar Dordrecht.
        In haar ongepubliceerde dagboek, getiteld Oorlogstijd 1944. Korte verhalen uit mijn dagboek, schrijft Nellie Kleinkramer-Zwarenstein-Teng-Teng dat het “bitter koud” was, die 22ste december dat ze met de flink aangeklede Pim naar Dordrecht ging lopen. Maar Pim mocht niet klagen. “Bij het volbrengen van deze taak, zou hij als beloning een boek krijgen van Karl May.”
        Ze vertrokken om half acht ’s ochtends, met als kompas een kaartje uit een zakagenda. De reis was zwaar, door sneeuw en snijdende kou. Overnachten lukte meestal op een boerderij of in een schuur. Soms kan er “net een kopje koffie” af, soms worden ze uitgenodigd voor een maaltijd en krijgen ze een lift. Na enkele dagen bellen ze “zonder aankondiging” aan bij vrienden van hen, de oogarts dr. Johan Albertus (‘Joop’) Smit en diens vrouw Dina (‘Dien’) Trappel, die met hun drie kinderen Anne Christine, Dineke Mathilde en Hendrik Arnold aan het Kromhout 153 (nu: 217) wonen. Ze zijn van harte welkom en mogen blijven tot aan de bevrijding.
        Pas in mei wordt Nellie herenigd met haar echtgenoot Jacob. Mylène: “Toen ze terugkwamen in Strijen, zaten er NSB’ers in hun huis.”

niet-vervalst persoonsbewijs van Nellie

Zijn vrouw Nellie, die inmiddels haar achternaam had veranderd in Teng-Teng,
kreeg in kamp Westerbork een niet-vervalst persoonsbewijs, afgegeven op 11 januari 1944.
Foto Familiebezit

Inventaris
Gerda den Hartog sluit ermee af dat Pim Zwarenstein moeizaam heeft geprobeerd alle archiefstukken boven water te krijgen om een schadeclaim in te dienen. Hun bezittingen, hun woningen, hun grond, hun banktegoeden – alles was de Zwarensteinen ontnomen. De Duitsers bleken “extreem nauwkeurig” inventarislijsten te hebben aangelegd, van opa en oma Zwarenstein (Pinas en Kaatje) en ook van de oudtantes. Lijsten die “de complete inhoud van hun woningen weergeven, van warmwaterkruik tot dweil, van gordijnen tot het oude tafellaken”.
        Maar alles zou volgens een schrijven van 19 april 1943 te zijner tijd worden abtransportiert, “ofwel gestolen”. De joden is niet alleen het leven afgenomen, ook hun eigendommen. Het is alsof ze nooit hebben bestaan.
        Inmiddels zijn de zeldzame Holocaust-overlevenden niet meer in leven. Jacob Kleinkramer is gestorven op 6 oktober 1981, in Strijen, op 74-jarige leeftijd. Zijn moeder Roosje bereikte een hogere leeftijd: 90. Zij overleed in Strijen op 17 januari 1969. Jacob’s stiefzoon Pim stierf op 17 augustus 2002, 67 jaar oud, in Rotterdam. Nellie ging heen op 3 oktober 1999, 87 jaar oud − in het Dordrecht waar het voor haar allemaal was begonnen.

Vijf grafstenen op de kleine joodse begraafplaats van Strijen

Vijf grafstenen op de kleine joodse begraafplaats van Strijen, van personen die in het verhaal voorkomen:
Hartog Zwarenstein, de vader van elf kinderen; Philippus Zwarenstein, de jong overleden dierenarts;
Jozeph Kleinkramer, de tweede schoonvader van Philippus’ vrouw Nellie, Roosje Kleinkramer,
Nellie’s tweede schoonmoeder, en ten slotte Pim Zwarenstein, de zoon van Nellie.
Foto’s Website Het Stenen Graf.


Dordtse stoffelijke resten herbegraven in Strijen

Er is nog een verband tussen Dordrecht en Strijen: op de kleine joodse begraafplaats onderaan de Oud Bonaventurasedijk liggen stoffelijke resten begraven die afkomstig zijn van de voormalige joodse begraafplaats in Dordrecht, aan de Hoogt. Een speciale steen vormt er het bewijs van.

        Dat zich in Strijen Dordtse stoffelijke resten bevinden, is nauwelijks bekend. In het tijdschrift van de historische vereniging Oud-Dordrecht is zelfs in nummer 3 van 2015 vermeld dat de restanten van de Hoogt in Oud-Beijerland zijn terechtgekomen.
        Dit klopt niet. Hoe zit het precies? En waar zijn de zerken gebleven?

Onderaan de Oud Bonaventuresedijk in Strijen ligt, onopvallend, de joodse begraafplaats

het hek van de joodse begraafplaats in Strijen

de steen die meldt dat hier stoffelijke resten uit Dordrecht begraven liggen op de joodse begraafplaats in Strijen

Onderaan de Oud Bonaventuresedijk in Strijen ligt,
onopvallend, de joodse begraafplaats. Nadat bezoekers het metaheerhuisje zijn gepasseerd, moeten zij een hek openen en zien zij rechts vooraan de steen die meldt dat hier stoffelijke resten uit Dordrecht begraven liggen.
Foto’s Redactie Website

Boek
De Israëlitische begraafplaats aan de Hoogt, in gebruik genomen in 1737, is in 1871 officieel buiten gebruik gesteld. Toch “is men nog tot 1883 voortgegaan met daarop te begraven”, schrijft Mieke Jansen in het boek De verdwenen Mediene Dordrecht. Deze uitgave, de enige tot dusverre gewijd aan joods leven in Dordrecht, verscheen in 1995.
        Helemaal niets herinnert meer aan de bestemming die de grond in het verleden heeft gehad. Dat gold al in 1995 en er is in dat opzicht niets veranderd in de afgelopen twintig jaar. Er is bijvoorbeeld niet een gedenksteen geplaatst. Op de plek is nu het parkeerterrein van Hotel Dordrecht aan de Achterhakkers.
        Jansen meldde dat op 2 december 1958 een gedeelte van de grond werd verkocht aan de ‘Verchroom-inrichting Ampère firma W. van Mierlobensteijn’. “Weliswaar was het kerkbestuur door het Nederlands Israëlitische Kerkgenootschap hiertoe gemachtigd, doch de vereiste toestemming van de opperrabbijn ontbrak. Desalniettemin stemde het Opperrabbinaat in met het opgraven van de doden.”
        Voordat met de bouw van de garage werd begonnen, werden deze resten, onder toezicht van een rabbijn, herbegraven, in een strook langs de heg van de nieuwe begraafplaats aan de Nieuweweg, parallel aan de spoorlijn naar Lage Zwaluwe. De opgeheven begraafplaats leek ontdaan van alle graven. Jansen sloot af met: “Over wat er met de zich op de Hoogt bevindende grafstenen is gebeurd, bestaan slechts vage vermoedens.”

Vervuild
In 1996, een jaar na de publicatie van het boek, werden op de Hoogt toch nog enkele graven gevonden. Dat gebeurde bij het afgraven van vervuilde grond. In De Dordtenaar van 23 maart berichtte Conny Taheij dat deze graven eind jaren vijftig kennelijk over het hoofd waren gezien. Behalve kisten en stoffelijke resten werden er ook eeuwenoude grafzerken aangetroffen.
        De resten “met aanhangende gewijde grond” zijn onder rabbinaal toezicht opgeruimd, aldus het dagblad. De vondsten werden in een container gedeponeerd en zouden volgens het dagblad worden herbegraven op de joodse begraafplaats aan het Toepad in Rotterdam. De grafzerken werden tijdelijk opgeslagen op de algemene begraafplaats Essenhof, en zouden daarna een plaats krijgen op de achterliggende, joodse begraafplaats aan de Nieuweweg.
        Zo stond het ervoor in 1996.
        Alie van den Berg uit Oud-Beijerland, die al twintig jaar onderzoek doet naar joodse begraafplaatsen, deelt mee dat de stoffelijke resten uiteindelijk niet in Rotterdam zijn beland, maar in Strijen. En tien zerken zijn neergelegd op de joodse begraafplaats aan de Nieuweweg, “links voor het metaheerhuisje”, twee ervan zijn “helemaal in stukken”.
        Vermoedelijk liggen er op het terrein tussen de Hoogt en de Achterhakkers, schreef De Dordtenaar al in 1996, nog meer overblijfselen. “Graven die op de grens van de twee locaties liggen, zijn met een folie afgedekt en zullen in de toekomst verwijderd worden.” Maar dat is er niet meer of nog niet van gekomen.




< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'